Theologische toelichting
Wim Barnard (Zeist) heeft de afgelopen decennia voor Bonnefooi (eerst het Westhillblad) de theologische toelichtingen gemaakt voor iedere zondag, die uitgangspunt waren bij het maken van het materiaal: verhalen, bijbelse navertelling, werkvormen, gebeden en liederen voor de kinderdienst. Met ingang van zomer 2007 is dat overgenomen door drs. Anna Zegwaard (Apeldoorn) en dr. Evert van Leersum (Barneveld), die de lijn van de toelichtingen doorzetten, maar daar wel hun eigen exegese- en taalkleur aan meegeven. Beiden, als ook de redactie van Bonnefooi, zouden het op prijs stellen als wij van de gebruikers een reactie zouden krijgen op de ervaring met deze nieuwe toelichtingen. U kunt deze zenden aan info@kinderdienst.nl.
Uit de bijbel
5 februari 2012 5e zondag van Epifanie
Ezechiël 1,1-14
Marcus 1, 29-39
RK Job 7, 1 - 4. 6-7 en Marcus 1, 29-39
Vanaf deze zondag tot aan Paasmorgen zullen we lezen uit de profeet Ezechiël. Een lastig boek, dat vooral opvalt vanwege de buitensporige visioenen, die erin beschreven worden.Ze zijn als een schilderij van Jeroen Bosch: de droombeelden spreken tot de verbeelding al is vaak niet duidelijk wat ze precies te betekenen hebben. Het vraagt tijd om een sleutel te vinden, die het beeld verklaart; en misschien is het soms beter om het beeld in alle heftigheid te laten staan. We beginnen met de roeping van Ezechiël, die samen met het volk in ballingschap is. Hij ziet vier gestalten, met elk vier gezichten. Te midden van deze vier is een laaiend vuur met de schittering van goud. Dit vuur dat niet verteert verwijst naar de aanwezigheid van God zelf. En in de vier gestalten heeft de oude kerk al vroeg de vier evangelisten herkend. De mens staat voor Matteüs, de leeuw voor Marcus, het rund voor Lucas en de adelaar voor Johannes. Opvallend is dan dat elk van de vier gestalten, vier gezichten heeft. De vier evangelisten zijn zo van elkaar onderscheiden, maar vertellen toch samen het verhaal van Jezus de levende. Hij is het lichtend vuur dat in het midden staat. De heilige God, de Ongeziene en Eeuwige verschijnt in de tijd, in levenden lijve in ons midden, als een mens van vlees en bloed. Dat is de verrassende sleutel, die de oude kerk gevonden heeft om de profeet Ezechiël te lezen. Dat is inlegkunde, maar wel van het soort dat ons uitlegt wat er in geloof geschiedt. God komt met overmacht tot ons en kan ons alle hoeken (vier keer vier windstreken) van de wereld laten zien. Maar hij richt ons juist op. Zet ons op onze voeten en heelt ons leven. Die heling die God in het leven van mensen brengt wordt ook zichtbaar in de perikoop uit Marcus. Opvallend daarin is driemaal achtereen het woordje meteen. Meteen gaan ze van de synagoge naar het huis van Petrus, meteen spreken ze Jezus aan op de ziekte van Petrus' schoonmoeder en meteen geneest hij haar. Alsof er geen tijd te verliezen is, en Jezus ook geen tijd gegund wordt. Het is geen wonder dat hij vroeg opstaat om de eenzaamheid te zoeken. Al wordt hier ook al verwezen naar de vroegte van de Paasmorgen. En dat verklaart ook het vervolg. Het evangelie kan niet bij de mensen thuis blijven, of enkel in de geboortestad van Petrus. Het Woord zal de wereld in moeten gaan. Er is niet één heilige of bijzondere plek, waar het heil gestalte krijgt. Overal kan het gebeuren. Zoals Ezechiël, de priesterzoon de aanwezigheid van God niet proeft in de tempel, maar gewoon te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar.12 februari 2012 6e zondag van Epifanie
Ezechiël 1,15-28a
Marcus 1, 40-45
RK Leviticus 13, 1-2, 44 - 46 en Marcus 1, 40-45
Het visioen van Ezechiël breidt zich uit en spitst zich toe. Nu wordt gesproken over wielen vol met ogen, die voortdurend in beweging zijn en alles registeren. Bijna moet ik denken aan beveiligingscamera's die al onze bewegingen in de gaten houden. En er wordt gesproken over een stem, die buldert als de zee, die ontzagwekkend klinkt en mensen kan intimideren, zoals een leger doet. Het lijkt erop dat het visioen verhardt, dat de heiligheid van God, het laaiend vuur, mensen ook angst en schrik aan kan jagen. In vrees en beven staan we voor de troon van God. Maar dan verzacht het beeld weer. Daarbovenuit ziet de profeet iets dat lijkt op een troon, met het uiterlijk van een saffiersteen. En op die troon of wat daarop lijkt ziet hij iets wat lijkt op een mens. Wanneer God uiteindelijk zelf aan het licht treedt, schieten al onze woorden en beelden tekort. We kunnen alleen nog maar spreken in gelijkenissen. Wonderlijk is dan dat het laatste woord over de verschijning van God een mensengestalte is. Wij zijn zelf een gelijkenis van de Eeuwige. De mens is het beeld Gods. Hoezeer de aanwezigheid van God die hoog boven ons uitgaat ons doet beseffen hoe klein en nietig we zijn, ten diepste worden we door God op waarde geschat. Wij zijn geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Wij zijn zijn kinderen; ons zal hij niet vernietigen. En als beeld voor die belofte, verschijnt ook hier bij Ezechiël de regenboog in de wolken. Bij Marcus komen we voor het eerst tegen dat een mens moet zwijgen over het wonder dat hem ten deel is gevallen. "Denk erom dat u tegen niemand iets zegt." Daar komt de missionaire gemeente niet verder mee. Of juist wel, omdat de melaatse wel genezen is door de aanraking van de Heer. Waar de gemeente met ontferming bewogen is, daar zal de Messias nabij zijn. Maar waar we ons eigen succes gaan verkondigen, zal Christus weer gedwongen worden de eenzaamheid op te zoeken. Onze loftrompet overstemt al te gemakkelijk de stem van de Heer. Voor hem zit er niets anders op dan te bidden en te wachten. En de wereld in nood die hem het hardst nodig heeft, weet hem toch wel te vinden. "Van alle kanten kwamen ze naar hem toe."19 februari 2011 7e zondag van Epifanie
Ezechiël 1, 28b-3:3
Marcus 2, 1-12
RK Jesaja 43, 18 - 19.21 - 22. 24b - 25 en Marcus 2,1-12
Het visioen wordt een verhaal, maar de beeldspraak en symboliek is niet geheel en al verdwenen. We lezen dan ook geen nuchter verslag over de roeping van Ezechiël, die naar de Israëlieten gezonden wordt, maar de geschiedenis van een God die bewogen is om zijn volk. Die hen het oordeel aanzegt. Omdat God teleurgesteld is in de liefde voor zijn volk. Omdat hij ziet dat het van kwaad tot erger gaat. Een boekrol die van voor tot achter, aan beide kanten, beschreven is met klaagliederen, en gezucht en gesteun. Ezechiël moet deze rol opeten, om het Woord van God tot het zijne te maken, om zich niet alleen met hart en ziel, maar ook met lijf en leden aan dit Woord toe te vertrouwen. Maar wanneer hij het eet, smaakt het zoet als honing. Ik denk niet dat dit betekent dat Ezechiël genoegen vindt in zijn opdracht. Herhaaldelijk wordt hem immers op het hart gebonden niet bang te zijn om de boodschap te brengen, die hij brengt. Het is aannemelijker dat we meer vrees bij de profeet vinden dan vreugde. Maar dat het oordeel zoet smaakt, betekent, dat het altijd het voorlaatste is. Een waarschuwing om ernst te maken met God en zijn gebod. Maar als deze toch in de wind geslagen wordt, zal God nog wegen vinden, om een nieuw begin te maken. Het laatste oordeel zijn de woorden van de profeet niet. Dat staat nog open en houden we tegoed. Buiten de tijd en de geschiedenis, wanneer alle dingen voltooid zullen worden. In Marcus 2 horen we het bekende verhaal over de verlamde man die door zijn vrienden gedragen wordt om genezing te vinden. Desnoods gaan ze het dak op, zoeken ze het hogerop, als de gemeente rond de Heer in de weg staat bij het vinden van het heil. Een onthullend beeld voor de kerk trouwens, die misschien mensen wel vaker in de weg staat om het evangelie te ervaren dan we ons realiseren. Opvallend is het waar Marcus schrijft: "En toen Jezus hun geloof zag". Het gaat niet om de verlamde man alleen, juist zijn geïsoleerd zijn is deel van zijn verlamming. Het is dus het geloof van anderen dat ons kan dragen, en ons kan redden van een leven dat om onszelf draait. Een prachtig beeld daarvoor is de doop, waar de ouders hun kinderen dragen. Het is hun geloof, waardoor we horen: "Kind uw zonden worden vergeven."
26 februari 2012 1e zondag van de 40 dagentijd
Ezechiël 3, 4-15 (21)
Marcus 1, 12-15
RK: Genesis 9, 8-15 en Marcus 1, 12-15
Ezechiël wordt aangesteld als wachter over het huis van Israël en moet als profeet de woorden van God spreken ook al wil het volk niet luisteren. Het zijn twee beelden die niet makkelijk te rijmen zijn. De wachter staat waakzaam buiten het huis en verheft zijn stem alleen als er gevaar dreigt. De profeet echter roept het uit. Hij wil niet stil buiten blijven staan. Hij klopt op de deur om gehoor te vinden. En ook al luisteren de mensen niet en wijzen ze hem af, dan nog zal hij blijven spreken. Twee beelden die anders van toon en betekenis zijn, maar die in de ballingschap samen komen. Ezechiël is geroepen om uit te kijken naar de gevaren van buiten die het volk bedreigen, maar ook om te waarschuwen tegen de gevaren die van binnenuit dreigen, want het gaat om de identiteit van dit volk. Deuitdaging is om in de woestenij van de ballingschap Gods volk te blijven; te vertrouwen op zijn belofte en te leven naar de geboden die God gegeven heeft. En niet uit angst of gemakzucht je aan te passen aan de gewoonte van de wereld of de eisen van de tijd. Daarom wordt Ezechiël opgeroepen om niet bang te zijn voor het volk. Want als hij het is, zal het volk des te meer bang worden voor de overheersers. De profeet is geroepen om het goede voorbeeld te geven, in woord en daad. In spreken en zwijgen. In het evangelie lezen we over de verzoeking in de woestijn in de zeer korte versie die Marcus hiervan geeft. De ware mens staat in tussen engel en dier. Hij weet van de verlokkingen van het aardse, maar ook van de verzoeking om slechts de hemel op het oog te hebben. Daartussen moet hij zijn weg zien te vinden. Een weg van vallen en opstaan. Een weg waarin de val van deze ene mens van God onze opstanding zal betekenen.
4 maart 2012 2e zondag van de 40 dagentijd
Ezechiël 3,22-27
Marcus 9, 2-10
RK: Genesis 22, 1-2. 9a 10-13. 15-18 en Marcus 9, 2-10
De profeet voelt zich machteloos. Hij spreekt wel, maar niemand luistert. In plaats van dat het volk doof blijft, zou hij net zo goed stom kunnen zijn. In plaats van dat hij naar buiten gaat om bevrijding te verkondigen, zou hij vastgebonden in huis kunnen blijven. Deze uitzichtloze situatie van de profeet wordt nu tot een visioen. Wat hem gebeurt, is de weg die God met hem gaat. En het is ook de weg die God met het volk gaat. De onmacht van de prediking, het uitblijven van bevrijdende daden, het wordt een beeld voor een nieuwe tijd, waarin God opnieuw gaat spreken en de profeet zijn woord met gezag brengt. Een tijd waarin er opnieuw daden zullen geschieden van heil en verlossing. Dan zullen ze luisteren. En wie niet luistert, luistert maar niet. De profeet is de onmacht voorbij. Hij dacht te moeten doen wat hij niet kan. Nu weet hij dat hij doet wat hij kan. En dat is voldoende. In het evangelie horen we over de verheerlijking op de berg. Een visioen hoe wet, profeten en evangelie dezelfde taal spreken en deze bevrijding op het oog hebben. In de praktijk van alledag blijkt dat nog tegen te vallen. Wet en evangelie worden al te vaak tegen elkaar uitgespeeld, de profeet en de priester verstaan elkaar niet en kerk en synagoge gaan al eeuwenlang gescheiden wegen. Toch mag het visioen ons de ogen openen, dat er maar een weg is, waarin ieder op eigen wijze voortgaat naar de dag dat Gods licht ieder mens verlicht. We kunnen geen drie tenten bouwen ver weg op een berg. Het is niet de bedoeling dat er gescheiden heiligdommen zijn, God heeft het heil van de hele bewoonde wereld op het oog. Bij RK is dezelfde evangelielezing.
11 maart 2012 3e zondag van de 40 dagentijd
Ezechiël 14, 12-23
Johannes 2, 13-22/25
RK Exodus 20, 1-(3.7-8.23-)- 17 en Johannes 2, 13-25
De profeet spreekt tegen de achtergrond van de ondergang van Jeruzalem en dat kleurt zijn woorden. Ezechiël stelt zich voor dat Noach, David en Job in Jeruzalem gewoond zouden hebben. Zou dat het lot van de stad veranderd hebben? Het antwoord dat hij vindt is dat het geen verschil had gemaakt. Ieder draagt volgens de profeet de verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden. Ook deze drie rechtvaardigen hadden hun kinderen niet kunnen redden. Toch zijn er kinderen aan Jeruzalem ontkomen en naar hen toegekomen in de ballingschap. Ezechiël ziet dit, ondanks alles, als een teken van genade. Te midden van het onbegrijpelijke onheil in de wereld, de honger, het zwaard, de pest en de wilde dieren, tracht hij sporen van heil te zien. Het is haast onmogelijk voor wie de gruwelen aanschouwt van het geweld en de ongerechtigheid, de mens die de ander als een wolf verslindt. Toch houdt Ezechiël het oog gericht op wat de duivelscirkel van het kwaad doorbreekt. In de evangelielezing horen we over de tempelreiniging. Bij Johannes staat dit direct aan het begin van het evangelie, zodat dit evangelie geheel en al in het teken van de stille week komt te staan. Er moet ruimte vrij gemaakt worden om God te kunnen ontmoeten en blijkbaar kan dit niet anders dan door geweld geschieden. Misschien wel omdat wij met alle geweld willen voorkomen dat de heilige God zich met ons leven gaat bemoeien. Geweld is onlosmakelijk met geloof verbonden, denk ook aan de talrijke offers die voortdurend gebracht werden, of nog steeds van mensengevraagd worden in naam van een hoger goed. Ook bij Jezus zal geweld verbonden zijn met geloof in hem; alleen op volstrekt andere wijze doordat hij als zondebok het geweld op zich neemt en de wereld uitdraagt.
18 maart 2012 4e zondag van de 40 dagentijd
Ezechiël 17, 22-24
Johannes 6, 4-15
RK 2 Kronieken 36, 14-16. 19-23 en Johannes 3, 14-21
Deze keer een korte gelijkenis uit Ezechiël over een twijgje, dat weggeplukt wordt uit de bovenste takken van een ceder en geplant wordt op de hoogste berg van Israël. Voor de goede verstaander is dit niet alleen een profetie over de terugkeer van Israël uit de ballingschap, maar ook over het herstel van het koningschap van Israël. De machtige en gezonde boom zal immers verdorren en het kleine twijgje zal uitgroeien tot een prachtige ceder, waaronder het goed schuilen is. Een beeld voor de toekomst waarin Jeruzalem de volkeren de vrede zal leren. Maar de moed die Ezechiël de ballingen hier wil geven, kan niet openlijk uitgesproken worden en dat geeft de hachelijke situatie weer. De profeet vraagt geloof dat niet uit de werkelijkheid voortkomt, maar er dwars tegenin gaat. Mooi is dan ook dat het woord teer gebruikt wordt voor het twijgje. Want dat typeert de hoorders van de gelijkenis. Ze weten zich kwetsbare en bijna machteloze mensen, die vermalen worden door de machinaties op het wereldtoneel. Bijna machteloos. Omdat er nog geloof is. En hoop die niet sterven wil. Omdat God tot hen spreekt. Omdat hij heeft beloofd, dat dit niet het einde is, maar een nieuw begin. Een sprankje hoop. De evangelielezing komt uit het begin van Johannes 6, een gelijkenis over de viering van het avondmaal. Wie de woorden leest "Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood", herkent de verwijzing naar de Maaltijd van de Heer. De gemeente die deze woorden hoort, gelooft dat hoewel zij zelf maar een kleine rest vormt, deze maaltijd de wereld behoudt. "Zodat er niets verloren gaat," lezen we in het evangelie Het brood dat de Heer ons geeft is er niet voor bedoeld om binnen de kerk te houden. Het moet uitgedeeld worden aan de schare, zodat zij woorden krijgen aangereikt die hun leven veranderen. En dan nog blijft er over. Het evangelie draagt altijd meer in zich dan dat wat wij er van kunnen verstaan en vertolken.
25 maart 2012 5e zondag van de 40 dagentijd
Ezechiël 33, 1-20
Johannes 12, 20-33
RK: Jeremia 31, 31-34 en Johannes 12, 20-33
De profeet draagt een grote verantwoordelijkheid. Als hij zwijgt over het onrecht dat hij ziet, zal hij er zelf schuldig aan zijn. Ook de rechtvaardige kan zich nergens op laten voorstaan. Daden uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. De keuze voor het goede en het ware zal steeds opnieuw bevochten moeten worden. Achteroverleunen is er niet bij, daar is het volgens Ezechiël de tijd niet naar. Maar wie kan voortdurend onder deze hoogspanning leven: dat we iedere dag opnieuw uitgedaagd worden om te doen wat juist en rechtvaardig is. Daarom staat in het midden van de profetie de woorden van de Heer dat hij geen behagen heeft in de dood van de goddeloze, maar wil dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Dat is de keerzijde van de strenge en harde woorden van de profeet: dat ook het omgekeerde waar is. De rechtvaardige heeft geen streepje voor, maar ook de goddeloze zal niet afgerekend worden op zijn verleden. Voor iedereen is er iedere dag weer de kans om het goede te doen; en wie meent te staan kan vallen. Laten we daarom mild zijn en een voorbeeld nemen aan de Heer zelf. Hij gaat niet uit van zijn gekrenkte trots, al zou hij dat kunnen doen, maar hij heeft het leven op het oog, en niet de ondergang van de mens. Daarom zal God zelf steeds tot het uiterste gaan om ons voor zich te behouden. In het evangelie horen we over een donderslag bij heldere hemel. En zo moet het de Grieken die Jezus willen ontmoeten in de oren geklonken hebben. Zij hebben immers niet de Schriften, zodat zij in het duister tasten over wie toch deze mens is. Maar ook de Joden hebben moeite te verstaan wie de Mensenzoon is. Voor Joden een aanstoot, voor Grieken een dwaasheid, zal de apostel Paulus schrijven. En die verwarring rond Jezus en het misverstaan van zijn woorden klinkt vooral door in het vierde evangelie. Johannes wil ons zo de ogen en oren openen voor het vreemde van Christus. Wanneer we het denken te begrijpen, moeten we uitkijken ons niet te vergissen. Wij kunnen Christus nooit vastleggen binnen onze systemen en overwegingen, en dat is maar goed ook. Want alleen doordat Christus zich onttrekt aan wat wij denken en menen te weten, heeft niet langer de dood het laatste woord. Alleen wie naar hem opziet kan begrijpen wat het betekent dat wie zijn leven liefheeft het zal verliezen en wie zijn leven haat, het juist zal winnen. Buiten Christus om is deze uitspraak alleen maar onzin. Of op zijn best een tegeltjeswijsheid waar niemand van opknapt.
1 april 2012 6e zondag van de 40 dagentijd
Ezechiël 33, 21-33
Marcus 11, 1-11
RK: Jesaja 30, 4 - 7, Marcus 11, 1-10 (Joh. 12, 12-16) en Marcus 14, 1 (15,1-39)-15,47
De profeet is niet meer dan een zanger van liefdesliedjes. Ze horen hem wel. Ze vinden dat hij het mooi kan zeggen en dat hij ergens wel gelijk heeft, maar ze handelen er niet naar. De profeet zal wel gelijk krijgen, maar hij heeft niets aan zijn gelijk. Want het betekent de ondergang van de stad. De geruststelling dat God het land aan Abraham beloofd heeft en dat Abrahams nageslacht zo talrijk is geworden dat God toch niet anders kan dan hen liefhebben, blijkt vals te zijn geweest. Hun daden spraken altijd al tegen hen. Daar helpt ook geen belofte meer. Het beeld van de zanger is treffend voor de rol die het Woord van God in de wereld speelt. Maar al te vaak wordt dat Woord door ons religieus ingekapseld. Het speelt dan een mooie rol in ons gevoelsleven of het past zo prettig bij onze levensbeschouwing. Maar de wereld en wijzelf veranderen geen steek. De kerk wordt dan een schouwburg en de bezoekers gaan voldaan weer naar huis. Misschien ook wel omdat de voorganger hen zo hardvochtig de oren heeft gewassen! De boeteprediker is niet bij voorbaat de ware profeet. Die wordt eerder gevonden bij degene die met stomheid geslagen is door alles wat onder de hemel geschiedt. En die toch met alle geweld moet spreken over het evangelie, dat soms als harde wet tot ons komt. In het evangelie horen we over de intocht in Jeruzalem. Dat lijkt een en al feest te zijn, maar er is een dreigende ondertoon. Het is ook straattheater dat Jezus opvoert, in de beste tradities van de profeten. De koning rijdt op een ezelsveulen; hij moet uitkijken dat hij niet met de voeten op de grond komt. De mensen juichen wel, maar als ze er nog eens op terugkijken hebben ze eigenlijk hun eigen kleinheid en weerloosheid begroet. Daarin ligt de kiem van verandering. De graankorrel die moet sterven om vrucht voort te brengen. Als ze dat al zouden geloven, vinden ze het toch te veel gevraagd. Nog geen week later wordt de koning uitgejouwd. Niet omdat de massa zo snel van voorkeur verandert - al is dat ook zo - maar ook omdat hun ogen geopend zijn voor wat ze eigenlijk op deze dag deden. Ze hebben zich aangesteld. Ze leken wel niet goed wijs. Wanneer ze weer bij zinnen zijn gekomen, weten ze heel goed wat ze moeten doen: deze belachelijke koning de wereld uitjagen.
8 april 2012 Pasen
Handelingen 10, 34-48
Johannes 20, 1-18
RK: Exodus 12,1-8.11-14 en Johannes 13, 1-15
Deze zondag sluiten we de lezingen uit de profeet Ezechiël af en begint er een nieuw (alternatief ) spoor met lezingen uit het boek Handelingen. Wij staan nog even stil bij Ezechiël en de bekende lezing over het dal vol dorre beenderen. Een aangrijpend beeld voor de situatie van het volk Israël in die dagen. En voor iedereen in alle tijden die verzucht "Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden." Het mooie is dat het dan juist daar Pasen kan worden. Niet in een tijdloos moment van inzicht, maar in een concrete situatie van uitzichtloosheid. Daar komt de Geest aangevlogen uit vier windstreken om nieuw leven te brengen. Waar mensen met huid en haar vastzitten in wat hen beklemt. Waar geen leven meer is. Waar de dood vrij spel heeft Eigenlijk kan het ook geen Pasen worden binnen in de kerk, maar alleen op de begraafplaats voor de kerk. In de ruimte van de gemeente kunnen we het visioen van Ezechiël wel verbeelden, maar buiten de muren van de kerk, in de geschiedenis zal het nieuwe leven gestalte moeten krijgen. Het laatste woord van de Heer is hier ook ons eerste woord; wat ik gezegd heb, zal ik doen. In Handelingen 10 is Petrus in het huis van Cornelius, een Romeinse hoofdman. Hij brengt daar het paasevangelie en onmiddellijk komt ook de Geest aangevlogen. Een beslissend moment in de geschiedenis van het geloof in Christus, dat Petrus en de zijnen moeten erkennen dat ook heidenen het geschenk van de Geest ontvangen. Het verhaal van Jezus de Levende kan niet meer binnen de grenzen van het land van de belofte alleen blijven, het zal de vier windstreken ingaan. Omdat de Geest waait waarheen zij wil en de gemeente van de Heer niets anders kan doen dan haar navolgen. In het evangelie blijkt dat in de vergissing de waarheid aan het licht komt. Maria denkt dat Jezus de tuinman is. Dat lijkt wel een misverstand te zijn, maar is bij nader inzien een precieze aanduiding van wie de opgestane Heer is. Hij is inderdaad de tuinman die de schepping koestert en onderhoudt. Die het dorre (kruis) hout opnieuw tot bloeit laat komen. Die uit een dor en doods bestaan nieuw leven voortbrengt. Opvallend is ook nog dat de ontmoeting buiten in de hof plaatsvindt. Pasen is niet iets voor de binnenkamer of de bovenzaal - dat is meer iets voor Pinksteren. Pasen vindt juist altijd plaats onder de open hemel. Zoals het ook al bij Ezechiël
15 april 2012 8e paasdag in de telling van Pasen naar Pinksteren
Alternatief: Handelingen 3,1-16
Johannes 20, (19)24-31
RK: Handelingen 4,32-35 en Johannes 20,19-31
Petrus onderwijst naar aanleiding van een voorval. Hij doet dat beeldend en wat er gebeurt illustreert zijn verkondiging. Tekenen en woorden horen bij elkaar. Zo gebeurde het steeds toen Jezus rondtrok en zo zetten zijn leerlingen het voort. De genezing van de lamme man is een teken van de opstanding. Jezus' opstaan heeft het opstaan van gebroken mensen tot gevolg. Niet meer afhankelijk van wat je toegeworpen wordt, maar opstaan, lopen en springen en God loven van vreugde, kortom weer levensmogelijkheden. Dat baart opzien in de tempel. Ze herkennen de man wel en niet. Ze zijn buiten zichzelf van verbazing: hoe is het mogelijk. Dan klampt de man zich vast aan Petrus en Johannes. Alsof de reacties van de omstanders ineens vraagtekens zetten bij wat met hem gebeurd is. De apostelen moeten wel het antwoord daarop hebben. Petrus sluit onmiddellijk aan bij de verbazing van de omstanders. Jullie reageren zo verbaasd alsof wij zo vroom zijn of een soort supermensen zijn. Zien jullie dan niet dat dit nu in de lijn der verwachtingen ligt. Hij verbindt deze gebeurtenis met iets dat bekend terrein voor hen is: hun geloof in de God van Abraham, Isaak en Jacob. De God van onze voorouders heeft Jezus de hoogste eer bewezen: hij zit aan zijn rechterhand. Degene die God de hoogste eer heeft bewezen hebben jullie uitgeleverd aan zijn tegenstanders. Zo confronteert Petrus hen met hun handelen. Jullie hebben de Rechtvaardige verstoten en gedood en God heeft hem doen opstaan uit de dood en in ere hersteld. Door het geloof in zijn naam kan deze man lopen. Geloof in Jezus' naam is: hem erkennen als Heer. Hij bepaalt wat er gebeurt. In het Johannes-evangelie is het niet de menigte die verbaasd is en vol ongeloof reageert. Tomas, een van de twaalf vraagt zich vertwijfeld af of Jezus echt is opgestaan. Het dringt nog niet tot hem door dat degenen die Jezus verstoten hadden, niet het laatste woord hadden. God heeft Jezus opgericht. Ook Tomas krijgt een teken, en dat is voor hem genoeg.
22 april 2012 15e paasdag in de telling van Pasen naar Pinksteren
Alternatief: Handelingen 3, 17-26
Johannes 21,15-24(25)
RK: Handelingen 3, 13-15.17-19 en Lucas 24,35-48
In dit gedeelte van zijn redevoering is Petrus milder ten opzichte van zijn toehoorders. Hij zegt dat het te wijten is aan onwetendheid. Hij geeft dan aan dat dit is om de profetie in vervulling te laten gaan dat de Messias moest lijden. Hij houdt zijn gehoor voor dat ze dat gegeven dan als uitgangspunt moeten nemen. Het is niet het einde van alles. Hij drukt hen op het hart dit als een kans te zien om alsnog tot inzicht te komen. Dat zien we telkens terug in de bijbel: de gebeurtenissen worden doorgelicht en scherp gesteld en vervolgens wordt dat als een beslissend moment aangekondigd. Het gaat niet om wat er allemaal gebeurd is maar het gaat erom wat je er nu mee doet. Petrus geeft het verband aan tussen Jezus, de aloude profetieën en Mozes. Het heeft allemaal te maken met het geloof in de God van Israël, namen als Abraham en Samuël worden met Jezus verbonden. Kortom, Petrus nodigt hen uit Jezus te erkennen. Hij brengt Jezus als het ware heel dicht bij hun godsdienstige beleving. Hij verbindt zelfs de zegen van Abraham met het geloof in Jezus en in zijn opstandig. Dat is allemaal voor jullie als je je afkeert van het slechte. Petrus treedt op als een echte pastor, hij nodigt uit, wijst hun de weg, verzamelt zijn toehoorders. Zo geeft Petrus de opdracht die hij tot drie keer toe van Jezus gekregen heeft in Johannes 20 gestalte: weid mijn lammeren, hoed mijn lammeren en weid mijn schapen.
29 april 2012 22e paasdag in de telling van Pasen naar Pinksteren
Alternatief: Handelingen 5, 12-25
Johannes 10,11-16(18)
RK: Handelingen 4,8-13 en Johannes 10,11-18
Het volk krijgt steeds meer van het werk van de apostelen te zien. De zuilengang van Salomo was inmiddels dé ontmoetingsplaats geworden van de Joodse christenen. Daar vertellen de apostelen over Jezus, zijn leven en zijn opstanding. Daar roepen zij op tot het nieuwe leven, tot geloven in hem. Dat het over opnieuw gaan leven gaat wordt letterlijk zichtbaar gemaakt door alle tekenen en genezingen van zieken. Die zetten hun verkondiging kracht bij. Zozeer zelfs dat het volk zich erover verbaast. Ook al durven de meesten zich nog niet openlijk bij hen aan te sluiten, ze spreken veel lof over wat de apostelen doen. Ze staan in aanzien bij het volk. En er gaan steeds meer vrouwen en mannen geloven in de Heer. En het blijft niet tot mensen uit Jeruzalem beperkt. Er komen ook velen van buitenaf met hun zieken en gebroken levens naar de apostelen toe. Al die belangstelling voor de apostelen zet kwaad bloed bij de hogepriester en de zijnen, de Sadduceeën. Hun antwoord is: we moeten hen opsluiten. God laat weten (door tussenkomst van een boodschapper van de Heer) dat de apostelen niet in de gevangenis op hun plaats zijn maar in de tempel. De hogepriester weet nog niets van de tussenkomst van de engel en roept de zijnen, het hele Sanhedrin bij elkaar. Zij zullen wel eens optreden en korte metten maken met die evangelieverkondigers. Je ziet hoe ze een veroordeling organiseren. Tempelwachters moeten de gevangen escorteren, ze mogen niet ontsnappen. Maar de apostelen zijn al lang niet meer in de gevangenis, zij zijn al op hun plaats, in de zuilengang de ontmoetingsplaats. Vertwijfeling slaat toe bij de tempelwachters; hoe kan dat nu gebeurd zijn En 'en als wij maar niet de schuld krijgen'. Maar al dat machtvertoon en zelfs geweld is niet nodig, de apostelen gaan mee vanaf de plaats waar ze verkondigen. In Johannes 10 zegt Jezus: ik ben de goede herder. Hij die zijn leven inzet voor zijn schapen. In navolging van Jezus zetten de apostelen hun leven op het spel om te blijven omzien naar degenen die Jezus volgen. Ze vluchten niet maar gaan de confrontatie met het gevaar aan.
6 mei 2012 29e paasdag in de telling van Pasen naar Pinksteren
Alternatief Handelingen 6, 1-7
Johannes 15,1-8
RK: Handelingen 9,26-31 en Johannes 15,1-8
De gemeente groeit en de apostelen komen handen te kort bij hun taak. Er komen zelfs verwijten: ze verwaarlozen de weduwen van het Griekssprekende deel van de gemeenten. Dat nemen de twaalf apostelen serieus. Er wordt een vergadering belegd van de twaalf met de leerlingen. Ze leggen uit wat er aan de hand is. Er is zoveel werk voorhanden: prediken, het gebed en de zorg voor de armen. De diaconale taak lijdt onder de herderlijke zorg en andersom. De apostelen stellen voor om zeven broeders te kiezen die de zorg voor de armen op zich nemen. Er worden wel voorwaarden gesteld aan hen. Ze moeten goed bekend staan en vervuld zijn met de Geest. Met andere woorden: handelen in de geest van Jezus. De taken worden verdeeld: pastoraat en verkondiging bij de apostelen en diaconie bij de nieuw gekozenen. Zo begint de gemeente een structuur te krijgen. Een structuur die we nog steeds kennen. Diaconie en pastoraat. Het gaat hand in hand. Het voorstel vindt bijval bij de leerlingen en ze kiezen zeven diakenen. De gemeente groeit nog steeds en grote groepen komen tot geloof. Naast dit positieve nieuws valt het licht ook op Stefanus. Hij wordt als eerste genoemd en van hem wordt gezegd dat hij diep gelovig is en vervuld van de Geest. Het is als het ware een duidelijke verklaring dat Stefanus boven alle verdenking verheven is. Juist Stefanus zal lijden onder de onterechte aanklacht door de schriftgeleerden, de eerste martelaar, die gestenigd wordt. In Johannes 15 zegt Jezus dat hij de ware wijnstok is. Zijn volgelingen moeten in hem blijven. Verbondenheid is belangrijk, met Jezus en met de Vader. Daardoor kunnen zijn leerlingen vrucht dragen.
13 mei 2012 36e paasdag in de telling van Pasen naar Pinksteren
Alternatief: Handelingen 11,1-18
Johannes 15,9-17(20
RK: Handelingen 10,25.26.34-35.44-48 en Johannes 15,9-17
De jonge gemeente wordt met een nieuwe uitdaging geconfronteerd. Er zijn veel niet-Joden tot geloof gekomen en ze willen bij gemeente horen. De gemeenteleden herkennen niet de profetisch woorden uit het OT dat alle volkeren het heil zullen vinden in de Messias. Er komt een verwijt aan het adres van Petrus. Hoe kun je eten met onbesnedenen. Petrus neemt hen dan mee in zijn visioen waarin hij uitgenodigd wordt van alle dieren te eten. Tot drie keer toe wordt Petrus verzekerd dat God alle dieren van nu af rein verklaart. Dus het is echt waar. Dan komen er drie (!) mannen die hem vragen om het huis van iemand uit Cesarea te gaan. Drie boodschappers met een vraag. Het is in de geest van Jezus zo te handelen. Ook die was er niet bang voor om op het dringend verzoek van een vragende ziel in te gaan. Zes broeders vergezellen hem, samen zijn ze met dus met zeven broeders. Dat kan slaan op het aantal getuigen dat nodig is volgens sommige Egyptisch documenten, maar ook op de volheid van getuigen: meer kun je niet vragen. Zij zijn getuigen van wat de man zegt: dat hij een engel gezien heeft, die hem gezegd heeft dat hij Petrus moest ophalen, en dat zo heel zijn huis gered zal worden. Sterker kan een betoog niet zijn. Het is een getuigenis van zeven dat een boodschapper van God de man aanraadt om Petrus te laten komen. Daar kan hij toch niet onderuit? Hij laat zien dat het een rechtstreekse opdracht van God en influistering van de geest is dat hij gaan moest. Ze hebben ook alle zeven gezien dat de Geest ook nog eens over de man komt. Petrus verwijst dan naar de doop met de heilige geest. En dan legt hij de verbinding tussen dopen met de geest en geloven in Jezus die Heer is (oudste belijdenis). Pas als ze dat gehoord hebben, erkennen ze dat kennelijk ook de gelovige heidenen erbij horen. Opvallend dat de inhoud van dat loven is: God heeft de heidenen een kans gegeven tot inkeer te komen. Dat is voor hen een herkenbaar gebeuren. In het evangelie klinkt het gebod van de liefde, ze zijn vrienden van Jezus en van elkaar. Dat geeft inzicht. Ze zijn geen slaven meer die niet weten waarom een meester doet zoals hij handelt.
20 mei 2012 43e paasdag in de telling van Pasen naar Pinksteren
Alternatief Handelingen 1, 12-26
Johannes 17, 14-26
RK: Handelingen 1,15-17.20a.20c-26 en Johannes 17,11b-19
Na de hemelvaart blijft de groep die het dichts bij Jezus stond bij elkaar. Het is een intense beleving van eensgezindheid en gebed. Die onderlinge gehechtheid is kenmerkend voor de eerste gemeente. Later komen pas de onderlinge verschillen aan het licht. Maar dicht bij de hemelvaart is daar nog niets van te bespeuren. In die sfeer wordt ook het aantal van twaalf leerlingen weer compleet. Twaalf duidt op de twaalf stammen van Israël; dat is dus heel Israël, als vertegenwoordiging van alle volkeren der aarde. Maar ook op twaalf bronnen van het geestelijk leven. Het is dus belangrijk dat met de start de gemeente het aantal compleet is. Het is de eerst daad die als het ware het gevolg is van die eenheid in gebed. Uitgebreid wordt beschreven hoe Judas zichzelf buiten spel heeft gezet. Dit heeft tot gevolg dat zij met een stuk grond zitten. De mens en zijn akker zijn onlosmakelijk verbonden. Een stuk aarde moet altijd een bestemming krijgen. Voorlopig is het als bloedakker bestempeld. Petrus verbindt die naam met uitspraken uit een psalm (69) van David, waarin hij vraagt of de woonplaats van zijn tegenstanders een woestenij moge worden. Het volgende citaat is uit psalm 109. Met andere woorden niet alleen David, de Messias koning, had te lijden onder zijn tegenstanders maar ook Jezus. Met de woorden uit psalm 109 stelt Petrus voor om voor Judas een ander te kiezen. Iemand die vanaf het begin alles met hen meegemaakt heeft. Twee kandidaten zijn er. Het kwam wel vaker voor dat Joden ook een Griekse bijnaam hadden. Josef Barsabbas (zoon van de sabbath = geboren op de sabbath) heet ook wel Justus. Dan volgt een beschrijving waarbij het inzicht van God uiting krijgt in het werpen van het lot. In later christelijk literatuur wordt het lot werpen vaak als zeer negatief gezien. In dit stuk wordt het werpen van het lot niet als toeval gezien, maar als teken van geloof. Het lot valt op Mattias, gift van Jaweh betekent zijn naam. In het hogepriesterlijk gebed bidt Jezus voor zijn leerlingen die hij de wereld in zendt. Als apartgezet in de wereld, heiligen. En hij bidt ook dat hun verkondiging effect zal hebben. Het is een gebed om bescherming en een aansporing om een met de Vader te blijven. Ze zullen het nodig hebben als ze erop uittrekken om trouw te blijven aan hun opdracht.
27 mei 2012 50e paasdag Pasen is vol. Het is Pinksteren
Handelingen 2,1-24
Johannes 14 , 8-17, Ruth 1
RK: Handelingen 2,1-11 en Johannes 15,26-27; 16,12-15
Het getal van de leerlingen is weer twaalf. Heel Israël, alle volkeren zijn vertegenwoordigd. En ze zijn allen bijeen, ze vormen een eenheid. Dan komt de geest over hen. Alle mogelijke vormen waarin de geest zich maar kan vertonen worden genoemd: levensadem: en hoe: een hevige windvlaag. De geest is vuur, geestdrift en dat gaat als een lopend vuur(tje). De geest spreekt de taal van iedereen, het omgekeerde van de Babylonisch spraakverwarring. Ze spreken de taal van de geest, één taal. Dat komt aan. Iedereen is stomverbaasd. Te midden van die verwarring laat Petrus zien hoe de profetieën in vervulling gaan. En hij komt uit bij Jezus, zijn leven, het nee van de machthebbers (zelfs dat ze hem door heidenen hebben laten kruisigen) en het ja van God tegen hem. In het evangelie zegt Jezus ik ben de weg, de waarheid en het leven. Dat wordt met Pinksteren gestalte gegeven en toegelicht in de rede van Petrus. De alternatieve lijn deze weken is het boek Ruth. Het is oogsttijd in Betlehem. De velden staan vol rijpe gerst. De Eeuwige heeft de jaren van honger gekeerd. Nu is alles in afwachting van de oogst, zodat het huis van brood (Betlehem) eindelijk weer vol raakt. Het Pinksterfeest, de vijftigste dag wordt in Israël gevierd als oogstfeest en als feest van het geschenk van de tien geboden, genaamd het Wekenfeest. Zowel het verhaal van Pinksteren als het verhaal van Ruth markeert het begin van een nieuwe weg van God met Israël en met de wereld. Na jaren van hongersnood, de reden van Noömi's vertrek uit Juda, keert ze uit Moab terug. Het land dat haar vreemd bleef, het land waar ze haar man en haar zonen verloor, het land dat haar twee schoondochters schonk. Ze is een ander mens geworden. Vol ging ze weg, leeg keert ze weer. Toch is er één die haar volgt. De jonge schoondochter Ruth, met haar naam: vriendin. Haar weg met de familie van haar man is nog niet ten einde voor haar. Er staat nog iets open, hoe ongewis haar toekomst ook is. Ze volgt haar schoonmoeder naar een voor haar vreemd land. Niet om het als een vreemdeling te bewonen, maar om zich daar te hechten. Onlosmakelijk verbindt zij zich aan Noömi, haar land, haar God, haar wetten, haar leven, haar dood.
3 juni 2012 Trinitatis
Ruth 2, 5-33
Johannes 3, 1-16
RK: Deuteronomium 4,32-34.39-40 en Matteüs 28,16-20
Boaz is al geïntroduceerd. Toch is het goed de informatie die in Ruth 2, 1-4 staat te herlezen. Hierin krijgen wij alle aanwijzingen die genoeg zijn om te begrijpen waarom Boaz doet wat hij doet en gaat doen. Boaz was niet alleen familie van Elimelech, de overleden man van Noömi, hij had ook een bijzondere vriendschap met hem. De Statenvertaling noemt hem bloedvriend. In de nieuwe vertaling valt het element van de vriendschap helemaal weg. Niet alleen de familieband motiveert Boaz om te handelen, er is een extra. Ook Ruth volgt haar schoonmoeder niet alleen maar gedreven door familieplicht. Er is ook vriendschap die haar drijft. Als wij het boek Ruth ook leren lezen als een verhaal van omgaan met de wetten van de Thora, ontdekken wij nog meer hoe vriendschap en liefde de naleving van de wet glans geven. Het oprapen van het achtergebleven graan is na de oogst toegestaan volgens de Thora. Het is een manier om de allerarmsten de kans te geven ook te delen in de oogst. Boaz past deze wet zo aan dat het niet zomaar genadebrood is wat er voor Ruth overschiet. Leven in overvloed wordt haar gegund. Boaz geeft de opdracht het veld niet al te aandachtig te oogsten, maar meer dan genoeg voor Ruth over te laten (15- 16). Met etenstijd wordt Ruth uitgenodigd aan te schuiven en brood en wijn te ontvangen uit zijn hand, de hand van Boaz. Het leven krijgt glans voor Ruth. Gezien is wat ze heeft gedaan voor aar schoonmoeder (11- 12). Ze zal daar iets voor terugontvangen. Niet van Boaz, maar van de Eeuwige. Veilig en in vrede kan ze tot het eind van de oogst op de velden van Boaz blijven. Als Ruth terugkomt bij Noömi, hoort ze dat Boaz als losser kan optreden. Deze nieuwe informatie kondigt de volgende stap in het verhaal aan. In het evangelie verhaal wordt verteld over het geheim van opnieuw geboren worden. Jezus wordt in de nacht, in het donker, bezocht door Nikodemus. Zijn zoektocht heeft te maken met het verlangen naar een nieuw perspectief. Als leider uit de Farizeeërs zoekt hij naar een nieuw verstaan. De Geest van God kan je dat geven, zegt Jezus hem. Soms hebben wij het nodig verhalen weer als nieuw te horen, om te ontdekken waarin voor ons vandaag de hoop schuilt. De Geest van God vernieuwt ons horen.
10 juni 2012 1e zondag na Trinitatis
Ruth 3
Marcus 3, 20-35
RK: Exodus 24, 3-8 en Marcus 14,12-16.22-26
Van het één komt het ander. Ruth is met een overdaad aan gerst bij haar schoonmoeder Noömi thuis gekomen. De goedheid van Boaz geeft lef een stap verder te zetten, de (ver)losser dichter te naderen. Noömi treedt uit haar gelaten en verbitterde houding en bemoeit zich vanaf nu actief met wat er gaat gebeuren. Er is hoop op toekomst gezaaid. Noömi geeft Ruth instructies. Ze zal Boaz, verzadigd en in diepe slaap, verrassen met haar aanwezigheid. De gehoorzaamheid van Ruth valt te begrijpen uit haar keus Noömi te volgen. Ze voegt zich naar haar wil. Midden in de nacht ontdekt Boaz haar. Dan onthult Ruth haar missie. Ze wil Boaz als losser. De losser is iemand die er voor kan zorgen dat de naam van een overledene kan voortbestaan. De naam Elimelech dreigt te verdwijnen, nu hijzelf en zijn kinderloze zonen zijn gestorven. Alleen een ander familielid kan de naam nog redden. Hoewel in eigenlijke zin Ruth geen familie is van Noömi, doet Noömi alsof en zet de regels naar haar hand. In haar ogen wordt Elimelech gered als Ruth met een verwante trouwt en kinderen krijgt. Ruth waagt zichzelf op de dorsvloer. Een plaats waar de zaden uit de aren worden geslagen. Een plaats waar de liefde kan bloeien. Boaz redt de eer van Ruth. Hij zorgt dat ze ongezien kan vertrekken, met voor haar schoot een doek vol gedorst graan. Hij belooft de zaak te regelen. Als Ruth thuis komt, moet ze zich voorstellen aan Noömi. Wie ben je, mijn dochter? Subtiel informeert Noömi hiermee naar wat er is gebeurd. Is Ruth al de vrouw van Boaz? In het teken van de overvloedige gave van gerst groeit Noömi's vertrouwen in de goede afloop van de zaak. De naam van Elimelech zal voortbestaan. Het evangelie van Marcus vertelt over een lastige ontmoeting, waar over en weer veel irritatie is. Het begint ermee dat er een menigte is, die zich opdringt aan Jezus en zijn vrienden, waardoor ze niet eens even kunnen eten. Deze huishoudelijke opmerking zet de toon voor de rest van het gesprek, een stevig debat met de schriftgeleerden over de rechtmatigheid van Jezus' optreden. Tot slot laat de geërgerde familie van Jezus van zich horen. Voor Jezus aanleiding om op te merken dat de familieband niet door bloedverwantschap wordt gesmeed, maar door gehoorzaamheid aan God.
17 juni 2012 2e zondag na Trinitatis
Ruth 4
Marcus 4, 26-34
RK: Ezechiël 17, 22-24 en Marcus 4, 26 - 34
Er blijkt land van Elimelech te zijn en dat land moet in de familie blijven. Daarmee zal deze naam voortbestaan. Boaz weet dat hij niet als eerste het recht heeft om losser te zijn, er is iemand die nader staat tot Noömi. Deze persoon zal eerst gevraagd moeten worden of hij zijn recht als losser wil laten gelden. Als dat zo is kan hij het land dan kopen. In heel het boek Ruth hebben de namen een onthullende betekenis over wie de spelers zijn. Ruth: de vriendin, Noömi: de lieflijke, Boaz: de sterke held enz. De naam van deze losser in spe blijft onvermeld. Zijn naam is niet van belang, staat er in de NBV. In een vertaling van Ellen van Wolde staat: 'Hé dinges, kom hierheen, en ga zitten'. Deze aangesprokene zal geen rol in het verhaal spelen en is het daarmee niet waard een naam te krijgen. Hij blijft de anonieme meneer dinges, die afziet van het losserschap. Waarschijnlijk niet om het land dat hij zou verwerven, maar om het huwelijk met de Moabitische Ruth te ontlopen. Boaz buigt het lossersrecht zo, dat er ook een huwelijk met Ruth aan vast zit. Hij doet dit onder het oog van de tien oudsten in de stadspoort. Zoals er tien mannen die Bar Mitswa zijn, nodig zijn om uit de Thora te mogen lezen in de synagoge, zo zullen deze tien toezien op de rechtmatigheid van handelen door Boaz. En zo geschiedde dat Boaz losser wordt om de naam van Elimelech te redden. Ruth wordt zijn vrouw en ze wordt geplaatst in een rij van vrouwen, die de toekomst voor het volk Israël op een verrassende manier openen. Samen met haar ontvouwt de Eeuwige zijn weg van leven. God wordt op cruciale momenten genoemd als degene die bepaalt en handelt. Hij is het die zegent, waardoor Betlehem weer brood geeft. Hij is het die vrucht brengt en leven. Het is God die Boaz en Ruth zegent met een kind. Zo schrijven Israël en zijn God, samen met de volkeren geschiedenis en wordt deze vrouw oermoeder van koning David. Uit dit roemrijke huis zal een andere koning geboren worden. Anders dan alle anderen. Die in de sfeer van deze vrouw kiest voor overgave aan de weg van deze levenbrengende God. De gelijkenissen uit het evangelie van Marcus sluiten mooi aan bij één van de lijnen van het verhaal van Ruth. Mensen zaaien zaad in de hoop op de oogst. Het zijn echter niet de mensen die dat kunnen bewerken. Het is het geheim van de aarde en van de Schepper van hemel en aarde, die zorgt voor groei en nieuw leven. Het verhaal van Ruth vertelt ons hoe je actief kunt zaaien en actief kunt wachten. Een mooi beeld voor de gemeente van Christus.
terug naar start