Theologische toelichting

Wim Barnard (Zeist) heeft de afgelopen decennia voor Bonnefooi (eerst het Westhillblad) de theologische toelichtingen gemaakt voor iedere zondag, die uitgangspunt waren bij het maken van het materiaal: verhalen, bijbelse navertelling, werkvormen, gebeden en liederen voor de kinderdienst. Met ingang van zomer 2007 is dat overgenomen door drs. Anna Zegwaard (Apeldoorn) en dr. Evert van Leersum (Barneveld), die de lijn van de toelichtingen doorzetten, maar daar wel hun eigen exegese- en taalkleur aan meegeven. Beiden, als ook de redactie van Bonnefooi, zouden het op prijs stellen als wij van de gebruikers een reactie zouden krijgen op de ervaring met deze nieuwe toelichtingen. U kunt deze zenden aan info@kinderdienst.nl.

 

Oecumenisch leesrooster

 

Uit de bijbel

Zondag 6 januari 2019
Jesaja 60,1-6,
Matteüs 2,1-12
RK: Jesaja 60. 1- 6 en Matteüs 2, 1 - 12 (Epifanie)

De wijzen, of magiërs, of koningen, spreken tot de verbeelding. Wie zijn ze, en waar komen ze vandaan? Je kunt verschillende bijbelse lijnen vinden die je met deze mensen in verband kunt brengen. We weten trouwens niet of het er drie waren: alleen Matteüs heeft het verhaal over deze mannen, en hij vermeldt het aantal niet. Hij zegt alleen dat ze drie geschenken meenamen. De wijzen komen uit het oosten. Dat wil zoveel zeggen als: niet uit het gebied of de volken van Israël. Het zijn dus heidenen. Of ze helemaal vreemd zijn aan het volk Israël, dat is te betwijfelen. Het zouden nakomelingen kunnen zijn van Abraham. Hij stuurde de kinderen van zijn vrouw Ketura net voor zijn dood, weg naar het oosten (Gen. 25,1-6). Misschien wil Matteus, bijbelgetrouw als hij is, duidelijk maken dat de geboorte van de Messias, de kinderen van Abraham weer samen brengt. Of kwamen de magiërs wellicht uit Saba, wat het huidige Ethiopië zou kunnen zijn? Dat was het land van de wijze koningin die bij Salomo op bezoek kwam. Jesaja 60:6 en Psalm 72:15 zouden daarop kunnenwijzen. Hoe dan ook: Matteus neemt met deze drie magiërs een heel bijzonder element op in zijn evangelie. Want deze mannen gaan op weg doordat ze een ster zien. Voor niet-Joden was dat een heel gewone manier om naar de toekomst te kijken: door naar de sterren te kijken. Er werd geloofd dat bij de geboorte van elk kind een ster verscheen, en bij de geboorte van een leider of koning een extra bijzondere ster te zien was. Dat Abraham de sterren moet tellen om zijn nageslacht te tellen, sluit helemaal hierbij aan. Maar naar de sterren kijken om de toekomst te voorspellen, dat was toch eigenlijk niet-Joods. De wijzen doen het, en zij worden door de ster aangespoord om te gaan zoeken naar wat de toekomst brengen mag: een koning? Ze komen in Jeruzalem terecht, waar ze kennis maken met een andere manier om naar de toekomst te kijken. De joodse manier: lezen in de profeten van Israël. Die schriften, gelezen door schriftgeleerden, wijzen de koningen de richting waar ze naar op weg moeten gaan. Doordat ze de woorden uit de Bijbel horen, weten ze wat ze moeten doen met dat wat ze zien. Ze gaan dus op weg naar Bethlehem, op weg naar de koning die in de Schriften is voorspeld.

 

Zondag 13 januari 2019
Jesaja 40,1-11
Lucas 3,15-16.21-22
RK: Jesaja 40,1- 5.9- 11 en Lucas 3,15-16.21-22 (Doop van de Heer)

Jezus gaat wellicht al voor hij gedoopt wordt volop aan de slag, Lucas 2:52 lijkt daarop te wijzen. In het evangelie naar Johannes kent de doopscene eigenlijk goed beschouwd twee delen (Joh. 1:19-34 voor de doop, maar in Joh. 3:22-36 komt het als een bespiegeling terug). De andere evangelisten, ook Lucas, vertellen eerst over de doop, en daarna pas over de concrete handelingen en gesprekken van Jezus. Het tijdspad van het evangelie naar Lucas is echter op een andere manier weer apart, want de gevangenneming van Johannes de Doper wordt vermeld tussen de doopscene aan de Jordaan door. De Heilige Geest komt uit de hemel 'als een duif'. Het is dezelfde duif die rondvloog toen de ark van Noach vastgelopen was. Een duif die vaste grond zoekt. En als de duif bij Noach vaste grond gevonden heeft, kan het verhaal van de mensen en God weer verder. Zo is het ook hier bij de doop van Jezus. De duif vindt vaste grond in Jezus, en het verhaal van God en mensen kan weer verder. Woorden klinken uit de hemel, geciteerd uit Psalm 2:7 en Jesaja 42:1. Oude woorden die vertellen dat Jezus vanaf het begin geliefd is. De bekende Nederlands-Amerikaanse theoloog Henri Nouwen vertelt in een van zijn boeken hoe hij dit leest. 'Jezus is gekomen' zo zegt hij, om de zegen te delen en de stem van God te laten horen, die zegt 'Jij bent mijn geliefde zoon/ dochter/vriend'. De liefde van God wordt getoond in Jezus, aan de mensen, daar aan de oever van de Jordaan. Jezus is een drenkeling die weet van het leven, van de golven van vreugde en de vloed van tranen. Te midden van al dat water, en te midden van al die mensen die ook door precies datzelfde water van leven en dood gaan, klinken die woorden 'Jij bent mijn Zoon'. Ze klinken midden tussen die mensen, omdat ze gelden voor Jezus, en voor al die mensen om hem heen.

 

Zondag 20 januari 2019
Ester 2, 1-17 (alternatief}
Jesaja 62, 1 - 5
Johannes 2,(1, 29-) 1 - 11
RK Jesaja 62, 1- 5 en en Johannes 2, 1 - 11
Aan het hof van koning Ahasveros is een vacature ontstaan. De koning is een gevangene geworden van zijn eigen besluit om koningin Wasti weg te sturen naar weigering haar schoonheid te tonen aan de gasten op het feest van de koning. (lees Ester 1) Een wet van Meden en Perzen is niet terug te draaien maar hij blijft maar aan haar denken. Er moet dus een nieuwe koningin komen. Zo begint het verhaal. Verhaal, want geschiedenis is het niet. Het verhaalt hoe makkelijk een mens, een bevolkingsgroep prooi wordt voor uitsluiting, onderdrukking en zelfs uitroeiing. En dat, zo leert de geschiedenis, gebeurt tot op vandaag. Het is dus niet zomaar een verhaaltje maar een boek met een boodschap. We leren eerst Mordechai kennen, een jood. Zijn afkomst herinnert ons aan koning Saul, zoon van Kis. En niet alleen dat. Als Wasti wordt weggestuurd, zegt een van de raadsheren dat haar koninklijke waardigheid gegeven moet worden aan iemand die beter is dan zij. Precies die woorden klinken ook over Saul. Het koningschap zal aan iemand anders gegeven worden die waardiger is dan hij. Waarom? Omdat Saul Agag, koning van Amalekieten, in leven liet en daarmee verzuimde het kwaad met wortel en tak uit te roeien. Onthoud dit maar. Agag komt terug als Haman ten tonele komt. Waar het om gaat: er moet een andere koning(in) komen die wél de strijd met het kwade zal aangaan. We lopen nu al vooruit op het verhaal maar zover is het nog niet. De toekomstige heldin is nu alleen nog maar een mooi poppetje dat zich laat adviseren door mannen, door Mordechai en Hegai, en bij de koning haar mond niet open doet. Je zou haar naam, Ester, kunnen vertalen met 'ster' maar schitteren doet ze niet echt en ze moet verborgen houden uit welk volk en welke familie ze is. En dat is een andere betekenis van haar naam: 'ik ben verborgen'. Dat Hebreeuwse 'satar' (verbergen), waarvan Ester is afgeleid, brengt ons bij bijbelteksten over Góds verborgenheid. Bijvoorbeeld bij de woorden van de Eeuwige tot Mozes dat zijn volk hem ontrouw zal worden en dat hij zich voor hen zal verbergen (Deuteronomium 31,16-18) maar ook bij de ervaring van de mens dat God zich voor hem verbergt. (bijvoorbeeld Psalm 13,1) God ís ook de grote afwezige in Ester. Zijn naam wordt niet genoemd; zijn rol in het geheel mag geen naam hebben. Waarom dat zo is? Er zijn verschillende antwoorden te bedenken: omdat mensen elkaar soms zulke verschrikkelijke dingen aandoen dat Gods Naam op je lippen sterft; omdat niet God maar het toeval de loop van de geschiedenis bepaalt; omdat God afwezig lijkt maar aanwezig is in mensen.

 

Zondag 27 januari 2019
Ester 3 (alternatief)
Jesaja 61, 1- 9
Lucas 4, 13 - 21
RK: Jesaja 51, 1- 9 en Lucas 4, 14 - 21
Na het einde van hoofdstuk 2 zou je nu toch verwachten dat Mordechai op de een of andere manier beloond zou worden, maar zijn heldendaad verdwijnt naar de achtergrond. In plaats daarvan wordt een nieuwe hoofdrolspeler geïntroduceerd: Haman, nakomeling van Agag. Agag was koning van de Amalekieten en aartsvijand van Israël. Hij viel het volk van achteren aan toen het uitgeput en hongerig was. (Deuteronomium 25, 18) Omdat Saul de koning van het kwaad in leven liet, kon het kwaad zich voortplanten. (1 Samuël 15) En nu is daar Haman. Waar mensen ongehoorzaam zijn aan God, kan het kwade gewoon verder groeien. De schrijver van het boekje Ester laat het over doen. Hij vertelt hoe het had gemoeten. Altijd zullen goede mensen de strijd moeten aanbinden met het kwaad. Kwaad dat zich lang niet altijd gemakkelijk laat herkennen omdat het er niet uitziet als een monster maar zich vermomd als een mijnheer, als een adviseur. En zolang niemand daartegen in het verweer komt, zolang mensen blijven buigen (uit angst, uit onverschilligheid, of met de gedachte 'dat het zo erg niet is') zolang ettert het kwaad door. Gelukkig durft er iemand openlijk verzet te plegen en te doen wat iedereen zou moeten doen, Mordechai. Hij blijft trouw aan de Tora en buigt voor niemand anders dan voor de Heer. Hij had namelijk verteld aan de functionarissen van de koning in de poort dat hij een Jood was en dat heeft consequenties. Geloof blijkt niet uit wat je zegt maar uit wat je doet. Meeloper zijn, omdat dat makkelijker is, of veiliger, dat doe je niet. Zo komen ook in ons dagelijks leven keuzes op ons af: op ons werk, in het opvoeden van de kinderen. En soms schuren die. Haman is woedend en zint op een manier om niet alleen die ene Jood maar alle Joden op te ruimen. Het lot wordt geworpen. Haman verzoekt de goden hem een goed tijdstip door te geven. Daar tegenover staat de God die geëerd wordt door zijn volk, een volk dat 'te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de koning houden ze zich niet.' Het is echter geen lofzang maar een verdachtmaking. Hij speelt in op de angst van de koning, op de angst van de vevolking. Dan komt de organisatie van het kwaad op gang: elke provincie krijgt een brief, als het moet in zijn eigen taal. Niemand kan straks zeggen dat hij het niet geweten heeft. Zo besmettelijk is het kwade dus. Wie zwijgt stemt toe. Dit alles gebeurt op de dertiende dag van de eerste maand. Op die dag wordt het donker en angstig. Tegelijkertijd gaat er een ander verhaal meezingen, want morgen, op de veertiende dag van de eerste maand, wordt Pasen gevierd, feest van bevrijding uit ellende, feest van leven door de dood heen. (lees Leviticus 23,5)

 

Zondag 3 februari 2019
Ester 4 (alternatief)
Jeremia 1, 4 - 10
Lucas 4, 21 - 30
RK: Jeremia 1, 4 - 5. 17=19 en Lucas 4, 21 - 30
Mordechai pleegt verzet door zich in rouwkleding te steken. En heel het volk zit met hem in zak en as. Groot is de afstand tussen Ester en Mordechai als zij hem kleding laat brengen waardoor hij weer toonbaar is en niet meer ppvalt. Een afstand die steeds door een ander (de dienaressen, de Hatach) moet worden overbrugd. Ester vertoont een heel menselijke reactie: als ik nu maar gewoon blijf doen, komt alles weer goed. Dan loop ik ook geen risico. Maar Ester zal uit de kast moeten komen, kleur bekennen. Zij mag zich veilig wanen, omdat zij in het koninklijk paleis woont, maar ze is het niet. Mordechai verwoordt het zo: 'Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze.' Het is misschien geen toeval. Misschien is Ester wel koningin geworden om haar volk te redden. Mordechai zwijgt erover of hij gelooft dat God, die in dit verhaal verborgen blijft, alles bestiert en regelt. Hij zwijgt er ook over of alles toeval is of dat we aan de goden zijn overgeleverd. Hij laat het zo'n beetje in het midden maar stelt wel vast dat er voor Ester een kans in zit…Laten we ervan uitgaan dat ongelukken gebeuren, dat het noodlot ons allemaal een keer treft. Misschien heeft het dan zo moeten zijn dat jij er net bij was. Misschien dringt zich de taak aan jou op die jij moet vervullen. Niemand wordt als heldin geboren. Maar je kunt het worden. Als Ester haar mond niet opendoet, zal vast van een andere kant uitkomst en redding komen. Dat is toch ook het hart van het geloof van Israël: hoe doodgelopen een situatie ook lijkt, met de God van Israël wil het maar niet hopeloos worden. Maar voor Ester en haar familie zal het dan te laat zijn. Mordechai heeft steeds gezegd dat Ester moest zwijgen. Nu moet ze spreken. Waar eerst alle initiatief bij Mordechai lag, neemt nu Ester de touwtjes in handen. Vastbesloten gaat ze over tot actie en ze geeft Mordechai de opdracht om alle Joden bij elkaar te roepen en met haar te vasten. Zo zal ze zich voorbereiden op een riskant bezoek aan de koning. Bij haar woorden: 'Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen.' kunnen we aan mannen en vrouwen denken die inderdaad trouw bleven aan hun geloof of roeping en daardoor risico liepen of zelfs omkwamen. Hun daden aren ook geen egotripperij. Zij zochten en vonden, net als Ester, de solidariteit van de mensen voor wie ze opkwamen.

 

Zondag 10 februari 2019
Ester 5, 1- 6.11 (alternatief)
Jesaja 6, 1- 8
Lucas 5, 1 - 11
RK: Jesaja 6, 1-2a.3-8 en Lucas 5, 1- 11
'Toen de derde dag was aangebroken' kunnen we niet lezen zonder al die andere derde dagen in herinnering te roepen. De dag dat Abraham zijn zoon Izaäk níet hoefde offeren; de dag dat het verbond tussen God en zijn volk werd gesloten; de dag dat Jona door de grote vis werd uitgespuugd. De derde dag is de ongedachte dag: wat onmogelijk leek, wordt mogelijk. De derde dag gaat altijd over mogelijkheden, over leven, en ja: over God. Als Ester verschijnt voor de koning kan het vreselijk mis gaan, maar dat gaat het niet. Hij ziet haar nog zoals hij haar die eerste keer zag en hij wil haar alles geven. Er komt nu een soort traagheid in het verhaal. Zorgvuldig wordt opgebouwd dat wie een kuil graaft voor een ander, er zelf in zal vallen. Lees het gedeelte 5, 9-14 ook eens in de vertaling NBG '51 of Statenvertaling. Je zult ontdekken dat je, net als in de Hebreeuwse tekst, struikelt over de naam van Haman. Tot zeven keer toe. Hij vergewist zich ervan dat hij enorm belangrijk is. Daarom ergert het hem des te meer dat Mordechai weer niet voor hem wilde buigen. Alles draait om hem, met zijn vrouw en vrienden als dankbaar en kritiekloos publiek. De verteller zet het lekker vet aan. Dan wordt het nacht. Ahasveros kan niet slapen en ontdekt dat Mordechai nooit beloond is voor het verijdelen van de moordaanslag. De koning werkt aan een plan om Mordechai om de hoogste eer te geven, terwijl Haman 's nachts door het paleis sluipt om hem aan de hoogste paal te hangen. Uiteindelijk zijn de rollen volledig omgekeerd. Mordechai wordt geëerd en Haman voelt zich vernederd. Wie zegt er nu dat de Bijbel geen humor kent!? Dit gedeelte vertelt ons heel beeldend dat God deze wereld omgekeerd voor zich ziet. Zoals in het lied: 'De wijze woorden en het groot vertoon': ijdeltuiterij, luchtkastelen, het blijft niet overeind. Wie huilt, zal lachen.

 

Zondag 17 februari 2019
Ester 7,1 - 8,2(alternatief)
Jeremia 17, 5 - 10
Lucas 6, 17 - 26
RK: Jeremia 17, 5 - 8 en Lucas 6,17.20 - 26
De val van Haman is ingezet. Hij zal, na de woorden van zijn vrouw en vrienden, al minder trek gehad hebben in de tweede maaltijd bij Ester. (6,13) Als lezers weten we nu meer dan de spelers in het spel. Ahasveros weet niet dat hij Haman voor schut heeft gezet en Ester weet niets van de zegetocht van Mordechai. Als ze het wel had geweten, had haar dat misschien moed gegeven. Niemand weet dat Ester en Mordechai familie zijn. Zowel de koning als Haman weten niet dat Ester een jodin is en Ahasveros weet niet dat het volk dat Haman wil uitroeien het Joodse volk is want bij de ondertekening van de wet had Haman dat achterwege gelaten. Veel onwetendheid dus en dat wekt de verwachting van een grootse ontknoping. Want iedereen zal uit de droom geholpen worden. Bij die tweede maaltijd krijgt Ester een tweede kans om een wens uit te spreken. Zij wenst 'schenk mij en ook mijn volk dan het leven.' Zichzelf zet zij voorop. Haar zal de koning zeker willen sparen en daarna haar volk. Daarna benoemt zij het kwaad en ontmaskert zij Haman. Het gezicht van het kwaad wordt bedekt met een doek en Haman wordt weggevoerd. Het kwaad moet worden benoemd en tegelijkertijd mag het geen naam hebben. Als in de synagoge wordt voorgelezen uit Ester, tijdens het Poerimfeest, mogen de kinderen kabaal maken met instrumentjes, telkens als de naam Haman valt. Omdat wij geroepen zijn het kwaad te overstemmen. Ester krijgt de bezittingen van Haman, die had geaasd op de bezittingen van de Joden. (3,13) Er zijn geen geheimen meer want Ester vertelt over de relatie met Mordechai. Die krijgt vervolgens met de koninklijke zegelring dezelfde macht als eerder Haman had. Het is nog geen 'eind goed al goed'. Want de wet die Haman had uitgeschreven tegen de Joden is een Wet van Meden en Perzen. Wordt vervolgd.

 

Zondag 24 februari 2018
Ester 8, 3-8.9.1-10 (11-22)
20-23(Alternatief)
Genesis 45, 3-11.15, Lucas 6,27 - 38
RK: 1 Samuël 26, 2. 7-9. 12-13. 22 -23 en Lucas 6. 27 - 38
Ester moet nog een keer het risico nemen om ongevraagd naar de koning te gaan. Uitvoerig doet zij een beroep op het hart van de koning. Omdat een wet van Meden en Perzen niet kan worden ingetrokken, krijgt Mordechai de vrije hand om een andere verordening rond te sturen. Er komt een nieuwe wet: de Joden mogen zich verdedigen en doden wie hun naar het leven staan. Daarmee is de wet van Haman niet herroepen maar wel krachteloos gemaakt. Wie nu opstaat om de eerste wet uit te voeren, wordt door de tweede wet vijand van de Joden en onherroepelijk slachtoffer. Op dertiende dag van de twaalfde maand worden de rollen omgekeerd en er ontstaat een bloedige slachtpartij. Wat een vreselijk verhaal wordt het daarmee. Laten we twee dingen niet vergeten: wie opstond tegen de Joden, wie zichzelf tot vijand heeft gemaakt, wordt gedood. Het kwaad begint niet bij de verdediging van de Joden maar bij de aanval van de vijanden. Het is het verhaal van een volk dat zo vaak met de rug tegen de muur heeft gestaan. En: verhalenderwijs wordt duidelijk dat dát altijd de opdracht is geweest van Israël; het kwaad (Amalek) uitroeien en niets daarvan overlaten, zoals koning Saul dat wel had gedaan. (zie bij 27 januari) Daarom wordt ook nadrukkelijk verteld dat de zonen van Haman worden gedood en dat ze de bezittingen van hun vijanden met geen vinger aanraken. Het is hen niet om de buit te doen. Dit gruwelijke slot vertelt in slechts twee kleuren, zwart en wit, dat het goede overwint en het kwade wordt bestraft. Het vertelt ook iets over de toekomstdroom, dat er een tijd zal komen waarin mensen niet worden buitengesloten en onderdrukt. De tijd dat mensen in gerechtigheid en vrede zullen samenwonen. Ester is een van de vijf feestrollen. Het wordt voorgelezen op het Poerimfeest. 'Poer' van het lot dat Haman wierp om de dag voor zijn kwade plan vast te stellen. Op het Poerimfeest gaat het over Mordechai die niet boog voor het kwaad, over Ester die de moed vond om achter haar masker vandaan te komen. En misschien ook wel over de Eeuwige die zichtbaar wordt waar mensen opstaan. Ubi caritas et amor, Deus ibi est. Nadrukkelijk wordt gesteld (9,28) dat het feest nooit in onbruik mag raken en dat niet in vergetelheid mag raken waarom het gevierd wordt. Wie onthoudt dat hij zelf is gered, zal zich ook inzetten voor de redding van anderen. Het Poerimfeest bewaart dus niet alleen de herinnering aan het verleden maar is van betekenis voor vandaag en morgen. koekjes, met een vulling van bijvoorbeeld dadelpasta. Ze krullen bij het bakken een beetje om, waardoor het net oren lijken. En natuurlijk is het een lekkere manier om Haman te bespotten. Verder lijkt het wel een beetje op carnaval omdat iedereen zich verkleedt, bijvoorbeeld als de koning of als koningin Ester, en zo zijn echte identiteit verbergt. Het is gebruikelijk om op het Poerimfeest lekkere hapjes en drankjes bij vrienden te brengen en aan minimaal twee goede doelen iets te geven.

 

Zondag 3 maart 2019
Jeremia 7,1-15
Lucas 6,39-49
RK: Sirach 27, 5 - 8 en Lucas 6, 39 - 45
Als wij als kinderen thuis vervelend waren, wilde mijn moeder nog wel eens roepen 'Daar alleen is 't leven goed, waar men vrij en ongedwongen alles voor elkander doet'. Meestal had dit alleen tot uitwerking dat we als kinderen nog baldadiger werden. Nu besef ik dat er in die woorden inderdaad veel wijsheid school, ook bijbelse wijsheid. Ze vatten namelijk samen wat Jezus wil zeggen in zijn veldrede hier in Lucas (Matteus heeft echt een berg-rede). Jezus legt zijn hoorders uit wat het voor je leven betekent, als je hem navolgt. Armen worden rijk, en bekende patronen worden omgekeerd. Dat gaat zover dat ook bekende patronen in je eigen hart moeten worden omgekeerd. Het is namelijk veel makkelijker om de fouten bij een ander aan te wijzen, dan bij je zelf. Zo wisten wij als kinderen ook altijd haarfijn te vertellen wat de ander had fout gedaan, of waarom de ander aan de beurt was om nu eens dat vervelende klusje te doen. Waarop mijn moeder dan zei 'Daar alleen is 't leven goed…' Ze trad daarmee in Jezus voetsporen. Want hij legt in Lucas uit dat het nodig is om eerst in je eigen hart te kijken, in plaats van je een oordeel te vormen over het hart van een ander. De balk in je eigen oog eerst onderzoeken, voor je wijst op de splinter bij de ander. Het gaat erom dat je ware intenties aan het licht komen. Het gaat niet om datgene waar je mooi over praat, maar om dat wat je daadwerkelijk doet, en wat je diepste gevoelens zijn. Met heel verschillende beelden probeert Jezus de mensen te laten zien wat belangrijk is: om te kijken op welk fundament je gedachten en je leven is gebouwd. Als dat goed en stevig verankerd is, als God daar een plaats in heeft, dan zal het de stormen van het leven kunnen weerstaan. Maar als je bouwt op wat mooi lijkt, of gaat voor het snelle resultaat, de moeite niet wilt nemen om diepgaand onderzoek te doen naar wat jouw drijfveren zijn: dan val je bij het eerste zuchtje wind door de mand, en waai je om.

 

Zondag 10 maart 2019
Deuteronomium 5, 6-21
Lucas 4, 1-13
RK Deuteronomium 26, 4-10 en Lucas 4, 1-13

Twee totaal verschillende manieren van bijbelgebruik kom je tegen in dit verhaal. De duivel slaat Jezus om de oren met argumenten die lijken gebaseerd op teksten uit de Tenach. Door zijn manier van presenteren lijkt het dat de bijbel gebruikt mag worden om te zorgen dat Jezus geen gebrek lijkt, en niet in gevaar verkeert. De eerste twee keer (4,3, 4. 6-7) worden geen letterlijke citaten gebruikt door de duivel. Maar wel door Jezus in zijn antwoorden. En door de citaten die hij geeft, maakt Jezus duidelijk dat het ogenschijnlijke logische redeneren van de duivel volkomen onlogisch is. God 'werkt' zo niet. De derde keer kent de duivel de redeneertrant van Jezus, en komt daarom ook zelf met een bijbelcitaat, uit Psalm 91,11-12. Uitgerekend een psalm die gaat over vertrouwen op God, wordt door de duivel gebruikt om Jezus over te halen God te testen. En daar doet Jezus niet aan mee, zo maakt zijn antwoord in 4,12 duidelijk. Na drie keer is het in veel bijbelse verhalen, en ook hier, gebeurd. De duivel houdt ermee op en verdwijnt 'voor een tijd' uit beeld. Jezus heeft zich gehouden aan wat in de Tenach, de boeken van wat wij nu het Oude Testament noemen, wordt beschreven. De Tien oorden uit Deuteronomium 5, 6-21 beginnen met het gebod God als Heer te erkennen en precies dat heeft Jezus gedaan door de manier waarop hij is omgegaan met de duivel. Dat die ontmoeting in de woestijn plaatsvond, verbindt de twee lezingen van vandaag ook nogmaals met elkaar. Want in Deuteronomium 5 is de woestijn de plek waar gesproken wordt over wat God wil van mensen, en hoe hij wil dat mensen met hem door het leven gaan. Hij geeft daar zelf tien richtingaanwijzers voor, juist om het kwaad te kunnen weerstaan in de woestijn en straks in de 'bewoonde wereld' van het beloofde land. Precies zo dient Jezus de duivel van repliek in de woestijn, trouw aan het eerste gebod dat de Heer God is, en niet de duivel. Daar in de woestijn wordt de basis gelegd voor het leven met God, het voorleven van een leven met hem, in de 'bewoonde wereld' van het beloofde land. Daarbij blijft het voortdurend nodig om de woorden die God gegeven heeft, in herinnering te brengen en er op een juiste manier mee om te gaan. Dat geldt voor de Tien Woorden en voor al die andere woorden. Bijbelwoorden zijn, losgehaald van hun concrete moment en situatie niet altijd godswoorden, dat laat het gebruik van de woorden door de duivel zien.

 

Zondag 17 maart 2019
Exodus 34, 27-35
Lucas 9, 28-36
RK Genesis 15, 5-12, 17-18 en Lucas 9, 28b-36

Hoewel nergens in de bijbel de naam wordt genoemd van de berg waar Jezus met zijn vrienden opgaat, heeft de traditie de berg Tabor in de buurt van Nazaret als plek hiervan bestempeld. Je hebt er, als het niet te heiig is, een prachtig uitzicht, over de omgeving. Je ziet dan alles vanuit een ander gezichtspunt. Ook Jezus en zijn vrienden bezien op de berg de situatie vanuit een ander gezichtspunt. De weg van Jezus leidt vanaf dit moment duidelijk naar Jeruzalem. Op de berg gaat Jezus in gebed en net als later bij het gebed in de Hof van Getsemane, is ook hier het gebed de opmaat tot een ingrijpende ontmoeting. Tegelijk is het gebed ook een manier om te zeggen dat Jezus zijn leven in gesprek met God brengt en zo de relatie met hem onderhoudt. Nog tijdens het gebed blijkt Jezus niet zozeer met God, maar met Mozes en Elia te praten. Zij zijn de verpersoonlijking van de wet (Mozes) en de profeten (Elia). De aanwezigheid van Elia maakt ook duidelijk, dat Jezus niet Elia is, zoals de mensen in 9,8,19 nog dachten. De drie spreken met elkaar over Jezus' exodus, zijn 'uittocht'. Mozes is naast representant van de wet, ook de persoon bij uitstek die verbonden wordt met de exodus (van het volk Israël) en Elia's leven kent een bijzonder levenseinde (2 Koningen 2, 11). Twee experts dus op het gebied van een exodus. Petrus wil de situatie zoals die is, bestendigen. Want ook in de verhalen van de Exodus uit Egypte is er steeds een verband tussen licht (vuurkolom), wolk en tabernakel. Het maken van een tabernakel op de plek waar ze nu zijn, lijkt dus logisch. Dat blijkt echter hier niet de bedoeling. Net als bij de andere ontmoeting met de Eeuwige op de berg, in Exodus 34, is het ook hier de bedoeling dat er juist wordt verder gegaan. Daarom klinkt ook Gods stem. De woorden over het zoonschap van Jezus die klonken bij de doop in de Jordaan (Lucas 3,22), worden herhaald. Toegevoegd wordt de opdracht 'Luister naar hem'. En zoals het ook in Exodus ging, zo gaat het in Lucas: onderaan de berg gaat het leven verder. Boven op de berg is de koers bevestigd, is de macht van God bevestigd en zijn opdracht, onderaan de berg laat Jezus zien wat dat betekent door de volgende dag een demon uit te drijven.

 

Zondag 24 maart 2019
Exodus 6, 2-8
Lucas 13, 1-9
RK Exodus 3, 1-8a.13-15 en Lucas 13, 1-9

Soms is het nodig dat je streng wordt toegesproken. Ook al ben je Mozes en uitverkoren voor een belangrijke opdracht. In Exodus 6 bevestigt God nog een keer aan Mozes dat hij het volk uit Egypte zal leiden. Deze belofte van bevrijding is belangrijk, omdat het volk en Mozes zelf, door het verhardde regime van de farao is gaan twijfelen aan de realisering van Gods belofte. Maar God bevestigt nogmaals dat het nodig is om vertrouwen en hoop te houden, dat hij zijn belofte gestand zal doen. Geduld en vertrouwen is er ook nodig voor de vijgenboom uit Lucas 13, 6-9. Deze boom heeft al drie jaar geen vrucht gegeven. Het zou logisch zijn om hem dan om te hakken, omdat immers niet in een siertuin staat, maar in een wijngaard: hij staat er dus om iets op te leveren. Maar de wijngaardenier heeft meer geduld met de boom. Na drie jaar, wil hij nog een jaar geduld en vertrouwen oefenen en de boom dus niet meteen omhakken. De boom krijgt nog een kans dat de belofte van vrucht dragen waar wordt. Als het over een vijgenboom en een wijngaard gaat, dan wordt eigenlijk altijd over het volk Israël gesproken in het Oude Testament en daarmee ook hier. De drie jaar van de boom zou kunnen staan voor de cyclus van drie jaar die in de synagoge nodig is om de gehele Tora (Genesis t/m Deuteronomium) door te lezen, maar we weten niet goed of dat al wel zo was in Jezus' tijd. In ieder geval is duidelijk dat de drie jaar als een redelijke termijn werd gezien om vrucht te dragen. Het geduld van een gewoon mens zou dan logischerwijs ook wel op zijn. Het geduld van de wijngaardenier, hier het beeld voor de Heer, niet. Tegelijk: het is niet vrijblijvend, de boom mag niet 'gewoon blijven staan'. Het is wel de bedoeling dat hij vrucht gaat dragen. Niet moedeloos worden, ook als het langer duurt dan je dacht. Dat geldt voor Mozes en de Israëlieten, en voor de planter van de vijgenboom. Soms duren dingen langer dan je logisch vindt, maar vertrouw op God. Geef het nog een kans.

 

Zondag 31 maart 2019
2 Kronieken 36, 14-23
Lucas 15, 11-32
RK Jozua 5, 9a, 10-12 en Lucas 15, 1-3 en 11-32

Drie gelijkenissen over iets dat verloren is, staan samen in Lucas 15. Bij een schaap of een muntje voelt het onlogisch om feest te vieren als je dat terug vindt. Maar het is wel logisch om feest te vieren als een kind weer terug is in het gezin, zoals in Lucas 15,11-32. Beide zonen hebben de volle aandacht van hun vader, maar gaan er verschillend mee om. Op het verzoek van de jongste, verdeelt de vader nog voor hij gestorven is, al zijn erfenis. De oudste verandert daarop zijn leven niet, maar blijft thuis. De jongste zoon laat zijn familie los en gaat op pad. Hij verkent de wereld, maar als zijn geld op is, bepaalt zijn maag de keuzes die hij maakt. Tegengesteld aan zijn geloof en wat hij van huis uit meekreeg, gaat hij onreine varkens hoeden. Uiteindelijk neemt hij de volle verantwoordelijkheid voor zijn daden en keert hij toch terug naar huis. Hij doet geen beroep op zijn 'zoonschap', maar op de ontferming van zijn vader. Hij ziet daarmee een andere kant van zijn vader, dan de oudste zoon. Die ziet vooral wat de jongste zoon niet gedaan heeft, en hoe hij nu toch van alles krijgt. De oudste zoon spreekt niet eens over 'mijn broer', maar over 'die zoon van u' (15, 30). Maar zoals de vader de jongste zoon de ruimte geeft om het belang van zijn zoonschap, en de ontferming van hem als vader te ontdekken, zo krijgt ook de oudste die kans. Hij mag ook groeien van kind dat precies doet wat hij denkt dat er van hem verwacht wordt, naar een zoon. Het verhaal eindigt met de opnieuw gedeelde vreugde, en niet met een verwijt aan het adres van de oudste zoon. De kern is daarmee helder en het verhaal eindigt met perspectief. Zo eindigt ook de lezing uit 2 Kronieken. Nadat er van alles is misgegaan, is het volk Israël in ballingschap ver van huis verwijderd geraakt. Maar net als in het verhaal met de zoon die ver van huis is, wordt ook het volk niet vergeten. Het besluit van Cyrus geeft woorden aan de ruimte die er is, om weer terug te keren naar het land Israël en de Tempel te herbouwen. De deuren van het Vaderhuis worden nooit definitief gesloten, niet voor een zoon die op pad gaat, en niet voor een volk dat zijn land wordt uitgezet.

 

Zondag 7 april 2019
Jesaja 58, 7-10
Lucas 20, 9-19
RK Jesaja 43,16-21 en Johannes 8, 1-11

De wijngaard is in de bijbel een positief beeld voor het volk Israël. Het lied van de wijngaard in Jesaja 5,1-7 en de wijngaard zoals die ook klinkt in Hooglied, hoor je op de achtergrond van het verhaal in Lucas 20,9-19 meeklinken. Tegelijkertijd voelt dit verhaal juist niet als een positief verhaal, omdat het eindigt met de dood van de zoon van de eigenaar. Er is een overeenkomst tussen de eigenaar van de wijngaard en de mijnbouwers, waarbij de eigenaar recht heeft op het vruchtgebruik. De dienaren die hij daarvoor op pad stuurt, worden weggestuurd. Als de wijngaard staat voor het volk Israël, dan zijn de profeten de dienaren die worden afgewezen. De zoon die dan op pad wordt gestuurd en afgewezen, is Jezus. De wijnbouwers zijn de schriftgeleerden die Jezus in dit gedeelte en hiervoor ook al, steeds vragen waar hij de legitimatie van zijn handelen vandaan haalt. De duivel in de woestijn (Lucas 4, 3) was de eerste die Jezus' zoonschap als legitimatie op de proef stelde. Hier doen de schriftgeleerden en hogepriesters hetzelfde. Hun manier van omgang met het geloof wordt hier heel zwart-wit geschetst als een machtsspel, waar de lezing in Jesaja 58:7-10 aangeeft dat het in geloof juist niet om uiterlijk vertoon, macht en eigenbelang, maar om medemenselijkheid moet gaan. De gelijkenis in Lucas maakt duidelijk dat de schriftgeleerden en hogepriesters uit eigenbelang handelen, en daarmee de foute keuzes maken. Jezus legt nadrukkelijk de consequenties van die keuze uit: hij is als een hoeksteen die het gebouw kan verstevigen (vergelijk Psalm 118,22) maar die je ook kan verpletteren of waarover je kunt struikelen (vergelijk o.a. Jesaja 8,14-15, 28,16). De schriftgeleerden beseffen heel goed dat Jezus het in deze gelijkenis over hen heeft, maar hun reactie is als die van de wijnbouwers. Ze willen Jezus laten grijpen, zodat ze van hem geen gevaar meer in de wijngaard, in het volk Israël te vrezen hebben. Die wens getuigt van eigenbelang, maar ook hun keuze om Jezus nu niet te laten grijpen is er een van eigenbelang: wanneer ze dat zouden doen, zouden ze het zelfbestuur van hun eigen godsdienstige centrum en werkgebied, de Tempel, in gevaar brengen. De terughoudendheid om Jezus niet te laten grijpen is echter schijn, omdat ze wel blijven zoeken naar manieren om deze lastige zoon kwijt te raken.

 

Zondag 14 april 2019
Jesaja 50, 4-7
Lucas 19, (28)29-40
RK Jesaja 50, 4-7 en Lucas 19, 28-40

'Ezel!' Als iemand je zo noemt betekent het weinig goeds. Je bent dan dom en onhandig bezig. De ezel heeft geen goed imago. Maar ezels zijn juist behoorlijk slim en hebben een goed geheugen. Niet voor niets is het spreekwoord 'een ezel stoot zich in 't gemeen, geen twee keer aan dezelfde steen'. Ze kunnen veraf en dichtbij scherp zien, kunnen veel last dragen, en geven niet snel op. Als lastdragers kom je ze op allerlei plekken in de bijbel tegen: Abraham neemt een ezel mee om de last te dragen op weg naar het altaar, Jozef zijn broers reizen met ezels naar Egypte om graan te halen, en Jozef en Maria vervoeren zichzelf ook op een ezel. Dat vandaag de dag op het eiland Santorini nog alles op ezeltjes vervoerd wordt, heeft dus oude papieren in de bijbel. Maar de ezel is meer dan een lastdier. De ezel is slim, lees het verhaal van Bileam in Numeri 22-24 maar. De ezel is ook belangrijk. Hij wordt samen met het rund genoemd als de dieren die je rust moet geven op de zevende dag (Deuteronomium 5,21), of waarvan je de waarde bij een ongeluk moet vergoeden (Exodus 21,33).De ezel is dus veel belangrijker dan wij denken. En precies daarom wordt hij ook genoemd in Genesis 49, als Jakob de beloften aan zijn zonen geeft. Issachar wordt vergeleken met een sterke ezel, die z'n last draagt (49,14-15). Bij de belofte aan Juda speelt de ezel een andere rol: daar wordt de ezel aan de wijnstok gebonden, en het jong van de ezelin aan de wingerd (49,11). Vanuit al die bijbelse beelden van de ezel is het niet zo verwonderlijk dat Jezus op een ezel aankomt. Uiteraard is het ook het dier dat sterk contrasteert met de paarden waar de Romeinse heersers op rondrijden. En het is het dier waarvan in de Joodse traditie gezegd wordt 'wie van een ezel droomt, mag hopen op de komst van de Messias'. De ezel is dus onmisbaar in het verhaal. Geen 'dom dier', maar een belangrijk en onmisbaar dier om het verhaal de kleur en stem te geven die het nodig heeft. Door de ezel, het veulen van een ezelin, wordt duidelijk dat Jezus een koning is op bijbelse gronden. Een koning die een last kan dragen (zie Jesaja 50, 4-7), die niet snel opgeeft, die niet gericht is op pracht en praal en machtspolitiek (zoals koningen op paarden), maar op het hemels koninkrijk.

 

Zondag 21 april 2019
Jesaja 51,9-11
Johannes 20,1-18
RK Johannes 20, 1-9 en Handelingen 10, 34a, 37-43

Het was het meest logisch geweest als Petrus als eerste was aangekomen bij het graf. Hij is in de verhalen voortdurend haantje de voorste. Hij is dichtbij Jezus. Petrus is degene die de slaaf van de hogepriester bij de arrestatie van Jezus een oor afslaat (Johannes 18,10) en even later meegaat naar de hogepriester (Johannes 18, 15-27). Maar hoe dichter het moment komt waarop het voor Jezus aankomt, hoe meer Petrus afzakt van de eerste positie, naar de tweede positie. Dat is al zo, als hij naar de hogepriester gaat na Jezus' arrestatie. Dan gaat 'de andere leerling' wel naar binnen, maar Petrus blijft bij de poort (18,15). En nu ook, bij het graf. Petrus en de 'andere leerling' rennen samen naar het graf toe als Maria terugkomt met het nieuws, dat Jezus er niet is. Maar de andere leerling haalt Petrus in. Die is er dus als eerste. Het verandert als ze bij het graf aankomen. Dan is 'de andere leerling' degene die de doeken ziet liggen. Hij had daaruit iets kunnen concluderen, maar blijft sprakeloos in Johannes 20. Simon Petrus gaat wel het graf binnen, en ziet ook de doek van Jezus gezicht liggen. Hoe ongelooflijk onlogisch ook dat de doeken waarin je een dode hebt gewikkeld, zonder die dode erin in het graf liggen. Blijkbaar is het zien ervan voldoende voor de twee mannen zodat ze 'begrepen dat hij uit de dood moest opstaan' (20,9). Petrus is dus weer, met de andere discipel, de eerste die gelooft dat Jezus uit de dood is opgestaan. Voor Maria duurt dat langer. Zij mist Jezus zo, dat ze bij zijn lichaam wil zijn. Voor haar is het onlogisch dat ze Jezus weer zal ontmoeten, en daarom ziet ze niet hem, maar de tuinman. Pas wanneer hij spreekt, herkent ze hem als haar meester, Jezus. Met gejuich en vreugde trekt ze dan de stad weer binnen (zie ook Jesaja 51,11). Geen van allen vinden ze het in dit opstandingsverhaal vreemd wat er gebeurd is. De een omdat de bijbel voldoende context geeft om te begrijpen dat er iets bijzonders is gebeurd, de ander omdat ze zich gezien weet en aangesproken door Jezus. Je zou kunnen zeggen dat de manier van Petrus en de andere apostel een beredeneerde kijk op de gebeurtenissen is, en die van Maria een emotionele en spirituele kijk erop geeft. In hetzelfde verhaal is ruimte voor die beide belevingen van het wonder van Pasen.

 

Zondag 28 april 2019
Genesis 28, 10-22
Lucas 24, 13-35
RK Johannes 20, 19-31 Handelingen 5, 12-16

Dit prachtige verhaal vinden we alleen bij de evangelist Lucas. Al zou het kunnen zijn dat hij een melding van Marcus over twee wandelaars (Marcus, 12-13) uitbreid. Lucas wil in ieder geval aan Teofilus vertellen dat het goede nieuws van Jezus' opstanding niet zonder twijfel werd ontvangen. Er was verwarring over en onzekerheid. Waar het dorp Emmaus ligt, is niet helemaal duidelijk. Het moet in ieder geval niet te ver van Jeruzalem liggen. De twee leerlingen vertrekken op de avond van de opstandingsdag en keren diezelfde avond nog terug. Misschien is het ook niet belangrijk waar dit dorp op de kaart ligt. Sprekend is dat de leerlingen Jeruzalem de rug toekeren. Zij laten de stad achter zich waar hun hoop op was gericht. Ze praten met elkaar. In het Grieks staat daar het woord dat later gebruikt zal gaan worden voor preken 'homilie'. Het is de vraag of die twee nu n staat zijn om te preken, te verkondigen. Somber zijn ze. Hun blik is vertroebeld en hun hoop is veranderd in teleurstelling. En ze zoeken de verbinding met de Schriften niet. Ze kunnen wandelen wat ze willen, maar zo komen ze geen stap verder. De geheimzinnige derde die zich bij hen voegt laat hen even pas op de plaats maken. (vers 17) Jezus zet hen even stil. Het lijkt erop dat hun pijn en onzekerheid zit in het feit dat anderen de Opgestane hebben gezien maar zij zelf niet. Als zij hun weg vervolgen verklaart Jezus hen wat in de Schriften staat. Uiteindelijk gaat het niet om het zien, maar om het vertrouwen op wat geschreven staat. Dat blijkt waarachtig te zijn. De in het verleden behaalde resultaten - Gods bevrijdende daden - geven in de Bijbel wel degelijk garantie voor de toekomst. Als gast gezeten aan hun tafel herkennen zij Jezus. Op het moment dat hun vertroebelde blik helder wordt, is hij uit hun midden verdwenen. Het gaat niet (meer) om Jezus' lichamelijke aanwezigheid. Hij zal er zijn, telkens als de leerlingen met elkaar brood delen. De leerlingen staan op. Dat is mooi, het is tenslotte Pasen. De opstanding van Jezus is doorgedrongen tot hun hart. Als zij nu met elkaar (s) preken over Jezus zal het zeker daar over gaan.

 

Zondag 5 mei 2019
Jeremia 32, 36-41
Lucas 24, 35-48
RK Johannes 21, 1-(14) 19 en Handelingen 5, 27b-32, 40b-41 (3e zondag na Pasen)

Ook deze verschijning van Jezus vindt plaats op de dag van de opstanding. De Heer is opgewekt! Dat is nieuws dat je je niet zomaar eigen maakt. Dat moet langzaam op je inwerken. Vrouwen hebben het lege graf gezien, en daarna Petrus ook. Twee leerlingen hebben onderweg naar Emmaüs de Opgestane Heer gezien en bij terugkomst in Jeruzalem blijkt ook Simon (Petrus) de Heer gezien te hebben. Maar als Jezus dan in hun midden staat zijn ze verbijsterd, door angst overmand en ze menen een geestverschijning te zien. Dat zijn sterke woorden. Maar Jezus is geen spookbeeld. 'Ik ben het zelf' zegt hij. Met de woorden 'Ik ben' maakte ook de Eeuwige zich bekend aan Mozes. Er hoeft geen misverstand te bestaan: dit is de Heer. Maar ze kunnen het nog steeds niet geloven. Om alle onzekerheid en twijfel uit te bannen vraagt Jezus om iets te eten. Hoe het kan, dat zij hem eerst niet herkennen en dat het lichaam van de Opgestane functioneert zoals het moet functioneren, dat kan niet beschreven worden. We houden het erop dat dit krachtige gebeuren nodig is om de leerlingen te laten begrijpen dat de Schriften in vervulling zijn gegaan en dat de Messias op de derde dag is opgestaan uit de dood. (zie bijvoorbeeld Hosea 6, 1vv) De nadruk op de lichamelijkheid van de opstanding kan te maken hebben met het docetisme, de opvatting dat Jezus een goddelijke geest heeft, die het lichaam al voor het lijden heeft verlaten. Met andere woorden: hij heeft niet écht geleden. De nadruk op de lichamelijkheid geeft ook aan dat het gaat om dít leven, met zijn verwondingen en deuken, dat door Jezus' opstanding wordt bevrijd en vernieuwd. Dit verhaal spiegelt het verhaal van de Emmaüsgangers. Zij hoorden de Schriften en herkenden Jezus. Hun ogen werden geopend. Hier herkennen de leerlingen Jezus en zij horen hoe hij de Schriften heeft vervuld. Hun verstand wordt ontvankelijk. Zij hebben nu aan den lijve de Schriften ervaren en kunnen er getuigenis van afleggen. Het stopt niet op de Opstandingsdag met een 'eind goed, al goed'. Het is pas begonnen.

 

Zondag 12 mei 2019
Numeri 27, 12-23
Johannes 10, 22-30
RK Johannes 10, 27-30 en Handelingen 13, 14. 43-52 (4e zondag van Pasen)

Het is nogal overbodig wat Johannes doet: hij vertelt dat het feest van de tempelwijding wordt gevierd. En het is winter. Dat is net zo overbodig als zeggen: we vierden kerstfeest in Nederland, het was winter. Zou Johannes dat soms expres doen om aan te geven dat het geestelijk klimaat kil aandoet in Jeruzalem en dat mensen niet echt warm lopen voor geloven? Of zou hij er juist mee willen zeggen dat het licht aanstaande is, zoals het terugkeert na elke winter? Het feest van de tempelwijding is Chanoeka. Tijdens dat feest wordt gevierd dat de tempel, die ingepikt en ontwijd was door de Makkabeeën, is heroverd. Alles wat herinnert aan de afgodendienst wordt verwijderd, de tempel wordt opnieuw ingewijd en de achtarmige kandelaar wordt ontstoken. Er is nog slechts olie voor één dag, maar als door een wonder brandt acht dagen lang het licht. Inmiddels staat de tempel in Jeruzalem er al niet meer. De gemeente van Johannes weet misschien nog van vroeger dat men daar Gods nabijheid zocht. Maar als die tempel er niet meer is…. waar zoek je God dan? En moet de tempel nogmaals opnieuw worden opgebouwd of is er iets anders voor in de plaats gekomen? Voor Johannes is het duidelijk: God is te vinden in Jezus. Als eens in de tabernakel heeft God zijn tent onder hen opgeslagen in Jezus. Zo wil hij bij hen zijn. Jezus spreekt ook over de tempel van zijn lichaam. Zijn lijf is het huis van God. (Johannes 2, 21) Het is deze lijfelijke tempel die met vreugde gewijd moet worden en waar het goddelijk licht in brandt. Het is in Jezus dat het geloof van mensen vernieuwd en gevierd mag worden. Maar Jezus stuit alleen maar op onbegrip; laat hij toch ronduit zeggen wie hij is. Wie zo duidelijk voor hen staat herkennen ze niet. Waarom eigenlijk niet? Je zou kunnen lezen dat ze er niet bij horen, want ze zijn geen schapen van Jezus. Maar ik lees er in dat de vertrouwelijkheid mist; de vertrouwelijkheid van de herder die zijn schapen kent en die op hun beurt hem vertrouwen. Als dat vertrouwen er niet is, hoe zouden zij dan kunnen (in)zien dat Jezus door God gezonden is en dat zij één zijn. In elk van Jezus' woorden en daden is God zichtbaar geworden. Zijn licht heeft voldoende helder geschenen voor wie het wil zien.

 

Zondag 19 mei 2019
Deuteronomium 6, 1-9
Johannes 13, 31-35
RK Johannes 13, 31-33a, 34-35 en Handelingen 14, 21-27

We bevinden ons aan tafel met Jezus en zijn leerlingen. Judas is net weggegaan om Jezus uit te leveren aan de hogepriesters. Jezus zegt: Nu is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden. Er zijn verschillende verhalen over die grootheid; verhalen over vuur en bliksem, over ontzag en eerbied. Verhalen over een grootheid die je niet zomaar aanschouwen kunt. Denk aan de verschijning van de Eeuwige op de Sinaï (Exodus 19) of aan de vraag van Mozes die de grootheid van God wil zien. God zegt dan: niemand kan mijn grootheid zien en in leven blijven. (Exodus 33,18) Johannes draait dat vertrouwde beeld om. Gods grootheid in Jezus is niet overweldigend en groots maar wordt zichtbaar in het naderende lijden en de dood aan het kruis. Wat een vernederende afgang is, wordt in het evangelie van Johannes een openbaring van Gods grootheid. Met zijn wrede dood zal de liefde, waar hij voor stond, niet ook sterven. Nee, hij zal leven en zo wordt bevestigd dat Gods liefde alles overwinnen zal. Nu Jezus weet dat zijn einde nadert, gaat zijn hart uit naar zijn leerlingen. 'Kinderen', noemt hij hen. Ze zullen hem niet kunnen volgen op zijn weg. Tot dat moment hebben zij kunnen delen in zijn aanwezigheid en was de grootheid van God zichtbaar voor hen in Jezus. Straks zullen zij niet meer kunnen zien en zal het geloof in Jezus andere eisen aan hen stellen. Jezus geeft hen een nieuw gebod dat goed beschouwd een oud gebod is en uitgeschreven in Wet en Profeten: heb de Heer lief en uw naaste als u zelf. Het is een nieuw gebod omdat Jezus dat oude woord op geheel nieuwe wijze in de praktijk bracht. Het is een nieuw gebod omdat het mag leiden tot een vernieuwing van het hart van zijn leerlingen. Zij zullen elkaar dienen en liefhebben, zoals Jezus dat heeft voorgedaan. Daaraan zullen de mensen aflezen dat zij volgelingen van Jezus zijn. Aan de vruchten herkent men immers de boom.

 

Zondag 26 mei 2019
Joël 2, 21-27
Johannes 14, 23-29
RK Johannes 14, 23-29 en Handelingen 15, 1-2, 22-29 (6e zondag van Pasen)

We zitten nog steeds aan tafel; straks (Johannes18,1) zal Jezus opstaan van de tafel en naar de tuin gaan waar hij door Judas wordt verraden. We lezen dit gedeelte ook ná de viering van Goede Vrijdag en Pasen omdat Jezus hier spreekt over de Geest. We zijn tenslotte onderweg naar Pinksteren. Voor Jezus afscheid neemt van zijn leerlingen geeft hij hen drie troostwoorden mee: zijn afgang zal tegelijkertijd zijn verheerlijking zijn, hij zal in het huis van de Vader ook voor hen een plaats klaar maken en hij belooft hen de Geest. Zo zullen zij deel blijven hebben aan alles wat Jezus voor hen heeft betekend. Straks zal hij uit hun oog zijn, maar nooit uit hun hart. Ook al was in deze wereld geen plaats voor hem, hij zal verder leven in de liefdevolle omgang van zijn leerlingen met elkaar. En de Geest die Jezus bezielde zal ook hen bezielen, troosten, krachten moed geven. Die zal een helper zijn als zij zullen gaan leven zoals Jezus dat heeft voorgedaan, vanuit de liefde. Daarin ligt de belofte van vrede besloten, de vrede van Christus. Dat is een andere vrede dan het einde van oorlog. Het is hoe wij zijn toegerust om ons staande te houden in de wereld van vandaag. Het is een vrede die de wereld niet geven kan. Wij denken soms wel dat wij overeind blijven met diploma's, met argumenten, zekerheden van allerlei aard. Maar het lijkt nooit genoeg te zijn. We blijven bang. We blijven ongerust over de toekomst. In de vrede die Jezus nalaat, zit besloten dat je je niet ongerust hoeft te maken en niet bang hoeft te zijn. De vrede van Christus is rust en moed. En het vertrouwen dat Jezus naar de Vader gaat.

 

Zondag 2 juni 2019
1 Samuël 12,19b-24
Openbaring 22, 12-21 en Johannes 14, 15-21
RK Johannes 17, 20-26 en Handelingen 7, 55-60 (7e zondag van Pasen)
De zondag tussen Hemelvaartsdag en Pinksteren wordt Zondag Weeskind genoemd. Er is immers sprake van een leemte. Met Hemelvaart wordt Jezus omhoog geheven van de aarde en aan de tijd dat hij op aarde dichtbij was komt een einde. Hij wordt onttrokken aan het zicht van zijn leerlingen. Ze moeten nu zelf hun weg zoeken. Losgesneden van hun leermeester, verweesd. Op sommige momenten herkennen we onszelf in de stemming van deze zondag. Als we de draad van ons leven kwijt zijn geraakt, geen opdracht voor onszelf zien, als we een inspirerend en geliefd persoon moeten missen en onzeker zijn over de toekomst. Wat Jezus zijn leerlingen in deze woorden voorhoudt, is dat er geen breuk zal zijn, geen discontinuïteit maar voortgang. Hij zal in zijn leerlingen wonen door zijn Geest en hij laat hen zijn geboden na als handleiding voor het leven. In zijn afwezigheid zullen zij zijn lichaam op aarde zijn. Johannes zet ook hier de tegenstelling tussen de volgelingen van Jezus en 'de wereld' scherp neer. De wereld, dat zijn de mensen die aan Jezus geen boodschap hebben en die hun ogen sluiten voor het Licht. Het is niet de bedoeling dat Jezus' volgelingen zich terugtrekken uit die wereld en bij elkaar in een hoekje kruipen. Het is juist met het oog op de wereld dat zij geroepen zijn om leven te brengen; niet om af te wachten tot de slechte wereld ten onder gaat aan wat zij over zichzelf heeft afgeroepen. Wie gelooft mag zijn ogen niet sluiten voor de werkelijkheid maar wordt geroepen om ze wijd open te houden en de geboden -eigenlijk is het er maar één, namelijk liefhebben en dat handen en voeten te geven.

 

Zondag 9 juni 2019
Joël 3, 1 - 5
Johannes 20, 19-23
RK Johannes 20, 19-23 en Handelingen 2, 1-11
Het is de dag van de opstanding. Die avonden zitten de leerlingen bij elkaar achter gesloten deuren, angstig. Petrus en Johannes hebben gezien dat het graf leeg was en ze hebben begrepen dat dat wel betekenen moest dat hij was opgestaan. Maria heeft de Opgestane Heer gezien en werd geroepen dit aan de anderen te vertellen, maar achter gesloten deuren heeft het weinig kans dat dit hoopvolle nieuws verder komt. Plotseling staat Jezus in hun midden en hij wenst heen vrede. Hij toont hun zijn handen en de wond in zijn zijde. Nu Jezus is opgewekt wordt niet weggemoffeld dat er wel degelijk lijden is geweest, en nog steeds is. Maar we mogen weten dat het leed geleden is. Niet het lijden of de pijn heeft het laatste woord, maar God die alles en iedereen vernieuwt. Niet de dood heeft het laatste woord, maar Gods goedheid. Dat troostte de gemeente aan wie Johannes schreef en het mag tot vandaag al diegenen die lijden en pijn hebben troosten. Even vallen Pasen en Pinksteren echt op één dag als Jezus op hen blaast en hen uitzendt met de heilige Geest. De deuren moeten open en zij mogen hun angst voorbij gaan. Ze zijn nu gezondenen, zoals Jezus een gezondene was. Heel duidelijk wordt de opdracht aan de leerlingen geformuleerd: zij zullen Jezus' werk voortzetten en mensen hun zonden vergeven. Het zou niet moeilijk moeten zijn als je zelf veel hebt ontvangen om dan ook te geven. En als je weet dat je zelf van vergeving leeft, kun je ook anderen vergeven. Dat is de opdracht voor wat nu de kerk heet: mensen nieuwe kansen geven, nieuw leven geven. Want zo had Jezus het ook gedaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar start