Theologische toelichting

Wim Barnard (Zeist) heeft de afgelopen decennia voor Bonnefooi (eerst het Westhillblad) de theologische toelichtingen gemaakt voor iedere zondag, die uitgangspunt waren bij het maken van het materiaal: verhalen, bijbelse navertelling, werkvormen, gebeden en liederen voor de kinderdienst. Met ingang van zomer 2007 is dat overgenomen door drs. Anna Zegwaard (Apeldoorn) en dr. Evert van Leersum (Barneveld), die de lijn van de toelichtingen doorzetten, maar daar wel hun eigen exegese- en taalkleur aan meegeven. Beiden, als ook de redactie van Bonnefooi, zouden het op prijs stellen als wij van de gebruikers een reactie zouden krijgen op de ervaring met deze nieuwe toelichtingen. U kunt deze zenden aan info@kinderdienst.nl.

 

Oecumenisch leesrooster

 

Uit de bijbel

Zondag 2 september 2018
Psalm 34, 12-23
Marcus 8, 22-26
RK: Deuteronomium 4, 1-2. 6-8 en Marcus 7, 1-8. 14-15. 21-23
'Jullie hebben ogen, maar zien niet?' (Marcus 8,18) Dat zegt Jezus teleurgesteld tegen zijn leerlingen. Tot twee keer toe hebben velen gegeten van slechts enkele broden. Tekenen van de hemel waarvan zij ooggetuigen waren. Maar ze zien het niet! Het dringt niet tot hen door dat in Jezus Gods koninkrijk is doorgebroken. Pak Jesaja 35 er even bij. We mogen hierbij bedenken dat Marcus zijn evangelie pas later schreef, voor de eerste christengemeente in Rome. Het was een tijd van angst voor vervolging. Het was niet gemakkelijk om vast te houden aan de weg van Christus. En ik kan me voorstellen dat de gelovigen van toen het licht wel eens uit het oog verloren. Precies zoals het ook mensen van nu kan overkomen dat zij het niet meer zien (zitten). Jezus neemt de blinde bij de hand en neemt hem mee naar buiten het dorp. Met wat speeksel raakt hij de ogen van de man aan. En langzaam trekt hij de man weg bij het donker vandaan. Het licht is er toch ook voor hem? Dit kind is toch ook een kind van God? Langzaam aan. Niet te veel licht ineens. Zie je al wat? vraagt Jezus. Ik zie de mensen, het zijn net bomen, maar ze wandelen rond. Het begint hem al een beetje te dagen. Het begint er op te lijken. Nog een keer legt Jezus zijn handen op zijn ogen en nu ziet hij alles heel helder. Ook in het evangelie gaat alles niet in een keer. Zelfs de mensen die het dichtst bij Jezus staan zien bij stukjes en beetjes in dat hij de Messias is. Kinderen kijken anders. Een klimrek is een kasteel, de zandbak het huis om in te wonen. Kinderen verwonderen zich over een bloem, een vorm. Volwassenen, met al hun haast, met hun logica en nuchtere waarnemingen, zien dat niet meer en raken die verwondering kwijt. Ze zijn daarmee blind geworden voor de stukjes koninkrijk die doorbreken in onze werkelijkheid. Die blindheid heeft niets met ogen te maken, maar alles met het hart. De genezing van de blinde is geen medisch wonder maar wonder van het geloof dat méér ziet, dat dóórziet. Eigenlijk zouden we vandaag moeten doorlezen over Petrus die belijdt dat Jezus de Messias is. Hij ziet het! Maar nog niet helemaal helder

 

Zondag 9 september 2018
Deuteronomium 4, 1-2.9-20
Marcus 8, 27-9,1
RK: Jesaja 35, 4-7a en Marcus 7, 31-37
Voordat Jezus via Galilea naar Jeruzalem gaat, trekt hij met zijn leerlingen door de streek rond Caesarea (havenplaats in Noord-Samaria). Op die weg vraagt hij hoe de mensen hem zien. Volgens de leerlingen ziet men een verband tussen Jezus en het aanbreken van Gods tijd en ze associëren Jezus met Johannes de Doper (kondigt het koninkrijk Gods aan) of met Elia (profeet van de eindtijd) of een van de profeten (die Gods tijd aankondigen). Te midden van dat zoeken klinkt het trefzekere antwoord van Petrus: de Gezalfde. Degene op wie heel Israël wacht en met wie Gods tijd aanbreekt. Dat mag alleen in de beslotenheid klinken. Daarna kondigt Jezus aan hoe de leiders van het volk zullen reageren. Hij duidt zichzelf aan met de 'Mensenzoon', degene die namens God oordeelt (zie boek Daniël). De leiders willen het einde van de gangbare geestelijke en rechterlijke macht voorkomen. Ze gaan ervan uit dat het doden van de Mensenzoon afdoende is. Maar de Mensenzoon wordt zelfs niet door de dood gestopt. Hij zal leven. Dat klinkt weer in alle openheid. Petrus neemt Jezus apart. Waar Petrus zo fel op reageert, staat er niet. Op die openheid? Op de aankondiging van de verwerping? Er staat wel hoe Jezus op Petrus reageert. Jezus betrekt al zijn leerlingen erbij. Petrus kan met zijn apartje en zijn woorden niet tussen hem en zijn leerlingen in gaan staan. Petrus is hier de tegenspreker, degene die verzoekt. Jezus maakt aan meer mensen (de menigte) duidelijk dat het om Gods handelen en niet om het handelen van de mensen gaat. Kiezen voor Jezus is kiezen voor leven. Scherp schildert Jezus hier de tegenstelling tussen 'je ziel' (wie je echt bent als mens zonder franje) en 'de wereld winnen' (dat wat door mensen die niet trouw zijn aan zichzelf en hun medemens, als leven gezien wordt). Jezus zegt dat degenen die hun 'ik' verbergen, niet door hem herkend zullen worden als hij met de engelen (van Gods wereld) komt. Tot slot de troostrijke woorden: dat er mensen zullen zijn die het Rijk en zijn kracht zullen herkennen/zien aanbreken.

 

Zondag 16 september 2018
Jesaja 45, 20-25
Marcus 9, 14-29
RK: Jesaja 50, 4-9a en Marcus 8, 27-25

In het gedeelte hiervoor wordt de verheerlijking op de berg beschreven. Direct daarna spreekt Jezus over het lijden, dat wat nog tussen het werkelijk worden van Gods tijd en het nu in staat. Lijden wordt ook zichtbaar als Jezus en de drie leerlingen de groep achtergebleven leerlingen tegemoet lopen. Ze staan rondom een zieke die niet genezen kan worden. Er is verbazing als ze Jezus zien, omdat hij als geroepen komt. Zitten ze met een onoplosbaar probleem, komt hij eraan. Als Jezus vraagt wat er aan de hand is, neemt de vader van de zieke het woord. Hij gaat niet in op de discussie die er rond de zieke gaande is, maar vraagt om hulp. De overige leerlingen hadden de jongen kennelijk niet kunnen helpen, terwijl het toch ook bij hun praktijk hoorde om zieken te genezen en boze geesten uit te drijven. Bij de beschrijving van epilepsie die aan demonen toegeschreven wordt, wordt vaak afasie verbonden met doofheid. Het is niet duidelijk tegen wie de uitroep van Jezus (ongelovig volk) gericht is, tegen God, tegen de leerlingen, tegen heel de menigte. Het is veeleer een uitroep, verzuchting zoals de profeten dat doen als ze klagen of versteld staan over het ongeloof van het volk. Dat wordt in een adem gezegd met de verzuchting dat het woord van God, dat een mensengestalte heeft aangenomen, zich het meest thuis voelt bij zijn oorsprong: bij de wereld die bij God hoort. Dan volgt de diagnose in een vraag- en antwoordgesprek en dat loopt uit op een herhaling van de vraag om hulp. De vader roept zijn geloofsbelijdenis uit. Het onderonsje is inmiddels een zaak geworden, die allen aangaat. De belijdenis en de genezing mogen gehoord en gezien worden, een teken van het Rijk. Openlijk bestraft Jezus de onreine geest; het is een meting van krachten, de jongen wordt niet zomaar losgelaten. Als de jongen voor dood blijft liggen, reikt Jezus hem de hand en de jongen staat op! De opstanding wordt zichtbaar gemaakt. Dan wordt in de beschutting/privacy van een huis uitgelegd aan de leerlingen wat er nodig is voor het uitdrijven van zulke geesten. Gebed hoort naast vasten tot de religieuze uitingen van het joodse geloof.

 

Zondag 23 september 2018
Deuteronomium 13, 1-5
Marcus 9, 30-37
RK: Wijsheid 2, 12. 17-20 en Marcus 9, 30-37

Jezus en de leerlingen zijn op weg naar Galilea. Dat is in het Marcusevangelie de plek waar de boodschap van omkeer en inkeer weerklinkt. Vanuit Galilea zijn ze op weg naar Jeruzalem. Die weg werd even tevoren al gekenmerkt door de belijdenis van Petrus en de aankondiging van de verwerping door de leiders van het volk. Juist op die weg stelt Jezus zijn overlevering aan de orde. In dit stuk wordt het woord uitgeleverd (letterlijk: overgeleverd in de handen van mensen) voor het eerst in combinatie met de term Mensenzoon gebruikt. Het wordt zo breed mogelijk aangegeven: in de handen van. De leerlingen begrijpen het niet want ze waren met iets heel anders bezig. Dan gaan ze een huis binnen in Kafarnaüm. Dat biedt ruimte en bescherming om hun onbegrip bespreekbaar te maken. Jezus vraagt waarover zij aan het redetwisten waren. Ze zwijgen en durven niet te zeggen waar ze zo mee vervuld waren, dat ze wat Jezus vertelt niet inzien. Opvallend is dat Jezus ook zonder antwoord van de leerlingen laat zien dat hij wel weet waarover het gaat en dat zij met dingen bezig waren die er niet toe doen. Dan legt Jezus aan de hand van een levend voorbeeld uit wat hij bedoelt. Aan de ene kant dus de overwegingen van de leerlingen over meer en meest, en aan de andere kant Jezus met zijn voorbeeld over de geringe. Hij zet een kind in hun midden en beeldt uit (arm om het kind heen) waar het wel om gaat: om ontvangen/opnemen. Tegenover overleveren/uitleveren staat opnemen, ontvangen. Door een kind als voorbeeld te nemen, legt hij uit waar je dan ja tegen zegt. Jezus vereenzelvigt zich met de geringsten, de kleinen zoals die ook wel in het evangelie genoemd worden. Zo wil hij het onbegrip van de leerlingen wegnemen. Het opnemen van een geringe wordt zelfs vergeleken met het ontvangen van degene die Jezus gezonden heeft. Het gaat dus over een totaal andere orde.

 

Zondag 30 september 2018
Numeri 11, 24-29
Marcus 9, 38-50
RK: Numeri 11, 25-29 en Marcus 9, 38-43.47-48

Jezus heeft uitgelegd waar het om gaat: om het opnemen van de geringste. Maar Johannes blijft doorvragen; maar wat als iemand die demonen uitdrijft in uw naam en ons niet volgt. Jezus wijst van zichzelf af. Wie in mijn naam geesten uitdrijft kan niet haastig (vertaald met: 'het volgende ogenblik') kwaad van mij spreken. Het woord 'haastig' doet denken aan de haast waarmee de eindtijd vaak wordt aangeduid. Opvallend is dat Jezus even later niet meer over 'mijn naam' spreekt maar over 'ons'. Wie niet tegen ons is, is voor ons. Het clubje leerlingen is niet een exclusief clubje van een hogere rangorde. Het gaat niet om meer en meest, want zelfs als iemand jullie een glas water geeft omdat je bij Christus hoort, zal die beloond worden. De zinnen 'wanneer.. dan' (verzen 42-48) zijn geformuleerd volgens de rechtspraak. Volgens deze voorwaardelijke wetten wordt een schuldige alleen gestraft aan het lichaamsdeel waarmee hij het vergrijp pleegt en volgt op een vergrijp niet de doodstraf (wat gangbaar was in die tijd). Op die manier werden extreem wrede straffen een halt toegeroepen. Hier wordt de 'wanneer' formule direct in verband gebracht met het oordeel in de indtijd, de tijd wanneer het erop aankomt zoals in de tijden van vervolging. In de martelaarsverhalen staat beschreven hoe christenen en joden gedwongen werden om tegen de wetten van hun vaderen te zondigen. Deden ze dat niet dan was verminking een gangbare straf. In dat licht is de tekst dus geen pleidooi voor zelfverminking maar een waarschuwing dat je beter gemarteld kunt worden (waarbij je een lichaamsdeel kunt verliezen) dan Christus verloochenen. Het ligt dus in de lijn van 'wie mij wil volgen moet zijn kruis op zich nemen'.

 

Zondag 7 oktober 2018
Maleachi 2, 10-16
Marcus 10, 1-16
RK: Genesis 2, 18-24 en Marcus 10, 2-(12)16

Bij de vraag van de Farizeeërs wordt heel duidelijk aangegeven dat het niet een gewone vraag is, maar een vraag om op de proef te stellen (te verzoeken). De vraag begint hetzelfde (is het geoorloofd dat -hier vertaald met 'mag'-) als die over het doel van de sabbat (in hoofdstuk 2 en 3). Dat brengt ons in de sfeer van Genesis 1, over de bestemming van de mens en de sabbat (een dag om weer op adem te komen). De vragenstellers verwijzen niet direct naar de wet, maar doelen daar wel op. Jezus stelt een wedervraag en noemt Mozes, de man van de wet. Hoe luidt het voorschrift (gebod) van Mozes? Maar dan hebben ze het ineens niet meer over wat Mozes geboden heeft, maar heeft toegestaan. Jezus klaagt Mozes niet aan maar verwijst naar de hardheid van de harten van het volk. Marcus geeft zo onderwijs over Genesis 1, via deze vraag over Mozes. In het antwoord dat over trouw gaat, klinkt ook mee dat Jezus zijn bruid Jeruzalem niet laat vallen. Ook al weet hij wat hem te wachten staat. In zoverre is de vraag als een verzoeking: je kunt nog nee zeggen. Terwijl de vraag gaat over 'mag een man... heeft Jezus het in het antwoord over een mens: mannelijk en vrouwelijk. En in plaats van de term verstoten spreekt Jezus over 'scheiden'. 'Wat God onder een juk heeft gebracht' (vertaald met 'verbonden'), mag de mens niet scheiden. God heeft de mens met medemensen verbonden. De mens die de sabbat, de dag van het Rijk viert, weet wat de bedoeling van de mens is. Zo gaat het via de vraag over het huwelijk ineens over het trouw en ontrouw zijn van mensen aan God en aan hun medemensen. Direct daarna volgt dan de episode waarin mensen hun kinderen naar Jezus brengen (in die tijd was het gebruikelijk je kind door een rabbi te laten zegenen). Jezus verwijt zijn leerlingen dat zij de mensen met hun kinderen willen scheiden van hem. Jezus laat zien dat kinderen meetellen in zijn Rijk. Ze worden zelfs ten voorbeeld gesteld, niet om hun deugden of eigenschappen, maar omdat kinderen weten wat het is om afhankelijk te zijn. Ontvang dan zo, in afhankelijkheid van God, het Rijk. Niemand kan zich op iets voor laten staan.

 

Zondag 14 oktober 2018
Deuteronomium 15,1-11
Marcus 10,17-31
RK: Wijsheid 7,7-11 en Marcus 10,17(27)-30

Op weg naar Jeruzalem ontmoet Jezus iemand die vraagt wat moet ik doen om het eeuwige leven te bereiken. Volgens joodse opvatting hangt het lot van de mens af van zijn handelen in gehoorzaamheid aan de Thora. De man spreekt Jezus aan met 'meester' (een autoriteit op het gebied van de wet) en 'goed'. De reactie van Jezus daarop, is ook het antwoord op zijn vraag: 'Goed is alleen God. Wat goed is zie je in de Thora, de leefregels. Dat is de wil van God'. Er volgt een opsomming van de geboden die de houding ten opzichte van de naaste betreffen: respect voor het leven, bezit, de relatie en het recht van een ander; en respect voor hen die je dat doorgegeven heeft. Jezus is bewogen met de man, en houdt hem een keuze voor: afstand nemen van datgene wat je belangrijk vindt, je bezit en kiezen voor mij. Dan heb je een schat in de hemel. Maar dat is een stap te ver voor de man. Hij gaat terneergeslagen weg. Hij heeft begrepen dat het om meer gaat dan de geboden doen. Rijkdom wordt in het jodendom als een zegen beschouwd. Goed gebruik ervan, siert de mens. Maar Jezus waarschuwt voor de gevaarlijke kant ervan: zelf bezit worden van je bezit zodat je niet meer vrij staat tegenover God en je naaste. De leerlingen schrikken en als Jezus er dan nog een schepje bovenop doet, staat er dat ze zelfs nog meer ontzet zijn. Een soort moedeloosheid valt dan op hen. Wie dan nog wel? Pas als duidelijk is dat op eigen kracht het Rijk binnengaan moeilijk, zo niet onmogelijk is (die absurde vergelijking van de kameel door het oog van de naald), volgt de troost: je kunt met Gods hulp binnengaan. Op Petrus opmerking dat zij dan toch maar wel de juiste keuze hebben gemaakt, brengt Jezus de tijden waarin het erop aan komt (eindtijd) ter sprake. Het kan dan betekenen dat je om Christusalles moet prijsgeven, maar je ontvangt het terug in de komende eeuw. Alleen kun je je niet ergens op voor laten staan.

 

Zondag 21 oktober 2018
Jesaja 29,18-24
Marcus 10,32-45
RK: Jesaja 53,10-11 en Marcus 10,35(42)-45

Jezus is op weg naar Jeruzalem omwille van de troost voor het volk. Dit is een beslissende fase omdat aan het eind van die weg het messiaanse geheim wordt onthuld. Degenen die Jezus het Rijk van God aan horen kondigen, leven in de veronderstelling dat dit samenvalt met het herstel van het rijk van David. Het volk zou bevrijd worden. De leerlingen zijn ongerust en die hem volgden zijn bang. Er staat iets te gebeuren, maar wat? Jezus vertelt nog een keer wat de Mensenzoon te wachten staat, maar het lijkt wel of ze alleen het woord 'Mensenzoon' horen. Daar borduren Johannes en Jakobus op verder. Wie zit aan de linker- en rechterhand? En uit de felle reactie van de andere leerlingen blijkt dat ook zij daar nog steeds mee bezig zijn. Voor het besef van Grieken was 'in dienst zijn van iemand' mensonwaardig maar ook in Israël was die gedachte niet vreemd. Wat dat betreft is de spreuk: 'een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens' dan ook veelzeggend. Toen Jezus de leerlingen riep, hebben zij hem gevolgd maar dat wil niet zeggen dat zij hun ambities bij de visnetten achtergelaten hebben. Jezus maakt dan duidelijk dat er in Gods Rijk met andere maten wordt gemeten. Je bereikt de hoogste plaats door dienstbaar te zijn, dat is ook het doel van de Mensenzoon. Maar wat houdt dat dienstbaar zijn dan in? Het woord 'diakonein' dat gebruikt wordt betekent ook 'verzorgen'. Alleen degene die de medemens in nood verzorgt, opvangt en ontvangt, doet waar het in dat Rijk om gaat. Het gaat dus niet om (geestelijke) zelfontplooiing maar om beschikbaarheid. De tekenen die Jezus laat zien, vertellen niet zozeer iets van Gods macht maar van zijn barmhartigheid. Dat is het criterium of je bij dat Rijk hoort. Jezus' 'er zijn' voor mensen is zo ver gegaan dat hij zelfs zijn leven prijsgegeven heeft. De uiterste grens. Dat is dan ook de wedervraag die Jezus stelt als ze om hun hoge plaatsen vragen. In het antwoord van Jezus klinkt ook mee: 'wie zijn leven behouden wil, zal het verliezen en wie zijn leven wil verliezen, zal het behouden. Het gaat bij het dienstbaar zijn niet om een ondergeschikte functie maar om een levenshouding van beschikbaar willen zijn. Om echt medemens zijn.

 

Zondag 28 oktober 2018
Jesaja 59,9-19
Marcus 10,46-52
RK: Jeremia 31,7-9 en Marcus 10,46-52

Onmiddellijk na zijn uitspraken over beschikbaar willen zijn voor medemensen in nood, volgt Jezus aandacht voor een blinde. De toevoeging bedelaar geeft de draagwijdte van het blind zijn in die tijd aan. Een blinde miste ook zijn kans op werk (en bron van inkomen). Als Jezus Jericho uitgaat wordt hij aangeroepen door de blinde zoon (bar) van Timeüs. Jericho was een welvarende stad. Een doorgangsplaats op de weg naar Jeruzalem. Op zijn weg naar Jeruzalem vindt Jezus Bartimeüs, die gevangen zit in zijn blindheid. De blinde laat luid van zich horen: Zoon van David (zo spreek je de Messias aan), Jezus van Nazaret. Hij weet van wie hij heil moet verwachten. Van de Messias staat (in Jesaja) dat hij blinden het gezicht zal geven. Maar de mensen om hem heen hebben een andere verwachting van de Messias: hij zal de vijand verdrijven en het volk redden. Ze vinden het dan ook niet kunnen dat Jezus opgehouden wordt op zijn tocht naar Jeruzalem (vanwaar het heil toch zal komen) door een enkele blinde. Ze snauwen tegen hem dat hij zijn mond moet houden. Maar Bartimeüs laat zich niet de mond snoeren en hij schreeuwt nog harder. Jezus staat stil en roept hem. Roepen heeft hier een eschatologische betekenis. Hij nodigt hem uit te komen binnen de sfeer van het Rijk. Merkwaardigerwijs is er nu een andere reactie van de omstanders: houd moed, sta op, hij roept u. Geroepen tot opstanding, nieuw leven. En met nieuw elan gaat de blinde op Jezus af, hij werpt zijn mantel af, een gebaar van bevrijding, en springt op (er spreekt kracht uit) en gaat naar Jezus toe. Rabboeni. meester, zorg dat ik weer kan zien. En Bartimeüs ziet en begint een nieuw leven, Jezus volgend.

 

Zondag 4 november 2018
Job 19, 23-27a
Marcus 12, 18-27
RK: Deuteronomium 6, 2-6 en Marcus 12, 28b -34

Het evangelie van Marcus 12, 18 - 27, spreekt ver God als een God van levenden. (vers 7) Jezus wordt door Sadduceeën, joden die niet geloven in de opstanding, in het nauw gedreven. Hij wordt uitgedaagd een uitspraak te doen over de opstanding van de doden. Ze maken dit geloof belachelijk door met een voorbeeld te komen van een vrouw die achtereenvolgens met zeven broers trouwt. Ze vragen zich af wie dan wel de echte man van die vrouw is, als ze allemaal opstaan uit de dood.(vers 23). Het antwoord van Jezus is dat zij de Schriften niet kennen en evenmin de macht van God. Het doel van God met mensen is dat zij leven.

 

Zondag 11 november 2018
Leviticus 19, 1-2. 9-18
Marcus 12, 28-34
RK: 1 Koningen 17, 1-16 en Marcus 12, 38(41)-44

Marcus 12, 28-34 is een leergesprek tussen Jezus en een schriftgeleerde. Wij zien dat de rol van leerling en leraar wisselt. Eerst is de schriftgeleerde de leraar door Jezus de vraag naar het belangrijkste gebod te stellen. Jezus geeft als leerling het goede antwoord. De schriftgeleerde herhaalt dit antwoord en voegt toe dat het liefhebben van God en de naaste meer waard is dan alle offers. Hiermee laat hij merken dat ook hij geleerd heeft. Jezus bevestigt hem en als een wijze leraar oordeelt hij dat de schriftgeleerde dichtbij het koninkrijk van God is.

 

Zondag 18 november 2018
Exodus 30, 11-16
Marcus 12, 38-13, 2
RK: Daniël 12,1-3 en Marcus 13,24-32

De evangelielezing vertelt over Jezus die leert op het tempelplein. Hij laat zien dat mensen op verschillende manieren God dienen. Zoals de schriftgeleerden, die er eerder op uit zijn gediend te worden, dan zelf te dienen. Met hun dure gewaden en lange gebeden willen ze respect bij mensen afdwingen. Maar hun vrome uiterlijk is bedrieglijk. Ze eten de huizen van de weduwen op. Tegenover de schone schijn en de eigendunk van de schriftgeleerden stelt Jezus het gedrag van een arme weduwe. Hij wijst zijn leerlingen op haar offer. Het zijn slechts twee muntjes, maar dat is wel haar hele levensonderhoud. Ze riskeert een onzeker bestaan. Haar offer kost haar echt iets. Deze manier van dienstbaarheid krijgt daardoor bijzondere waarde. Het contrast tussen de verwaande schriftgeleerden en de arme weduwe is zo groot, dat het duidelijk is dat deze tegenstelling als stijlmiddel wordt gebruikt. Vast niet alle schriftgeleerden stelden zich zo op. Kijken wij terug naar de voorafgaande evangelielezing, dan komt daar een ander beeld te voorschijn. Het contrast maakt wel duidelijk dat je in je houding en handelen keuzes maakt, die verraden waar je hart naar uit gaat. Hoeveel risico durf je te nemen in je vertrouwen op God, hoe ben je dienstbaar? Franciscus van Assisi spreekt nog steeds tot de verbeelding als een mens die daarin evenals de weduwe heel ver ging. Hij nam afstand van alle rijkdom die hij had en die hem een goed leven bracht. Juist de weg van de armoede bracht hem dichter bij het geheim van God.

 

Zondag 25 november 2018
Sefanja 1, 14 - 2, 3
Marcus 13, 14 - 27
RK: Daniël 7,13-14, Openbaring 1,5-8 en Johannes 18,33b-37

Het evangelie beschrijft de eindtijd, die begint met een periode van de 'gruwel der verwoesting'. Een afschrikwekkende tijd, waarin mensen zullen sterven door afschuwelijke gebeurtenissen. Wat die precies zijn wordt niet verteld. Daarna breekt de tijd aan dat de Mensenzoon terugkeert op de wolken, om de uitverkorenen bij elkaar te brengen. Eindelijk zal gerechtigheid geschieden. De term 'gruwel der verwoesting' gaat terug op het boek Daniël. Daar wordt er het afgodsbeeld Zeus mee bedoeld dat op het hoofdaltaar is geplaatst in de tempel en zo de tempel ontwijdt. Het is in de ogen van de gelovige een gruwel. Jezus gebruikt dit beeld, maar bedoelt meer dan een ontwijding van de tempel door een afgodsbeeld. Voorafgaand aan deze lezing horen wij hoe de leerlingen naar de volkeren worden gestuurd om het goede nieuws te vertellen (Marcus 13, 10). Maar deze boodschap zal maar door weinigen worden geloofd (Marcus 13). De tempel in Jeruzalem wordt zodoende geen bedehuis voor alle volkeren. Daarmee wordt deze heilige plaats ontwijd. Dat is een gruwel, want het gaat God om de redding van alle volkeren. Toch is hiermee het laatste woord niet gezegd. Zelfs in deze laatste dagen kunnen de uitverkorenen het volhouden en uitzien naar de Mensenzoon die zeker komen zal.

 

Zondag 2 december 2018 1e van Advent
Zacharia 14, 4-9
Lucas 21, 25-31
RK: Jeremia 33,14-16 en Lucas 21, 25-28.34-36

Een nieuw kerkelijk jaar begint. Vol verwachting. De lezing uit Luc
as geeft geen reden om te denken: 'Vol verwachting klopt ons hart'. De toon van dit gedeelte is eerder angstaanjagend. Het gaat over angst, gebulder, ondergang en omwenteling. Is dat Advent? De lezing staat in een groter geheel van een zogenoemde apocalyptische redevoering. De beelden komen uit boeken van de profeten. Er klinkt een toekomstscenario dat er niet rooskleurig uitziet. Wat dat aangaat, zijn deze woorden uiterst actueel. Ook in onze tijd kun je je afvragen waar het met de wereld naartoe gaat. In nadenken over economische problemen, conflictgebieden in de wereld en milieuvraagstukken klinkt een donkere toon. Toch gaat er uiteindelijk hoop uit van de woorden van Lucas. De dreiging die hij beschrijft, is dreiging die realiteit is in het leven van mensen die lijden onder vernietiging en geweld, die balling en vluchteling zijn. De woorden zijn bedoeld als troost, als oproep om vol te houden. Want uiteindelijk zal niet het donker overwinnen, maar overheerst de positieve verwachting dat er uitzicht is, dat het anders wordt. Wie durft te blijven kijken naar de realiteit van het leven, ziet daar doorheen tekens die vertellen van de komst van een nieuwe wereld. Daar gaat Advent over. De woorden zijn een oproep: houd je ogen open om tekens te verstaan. Leef vanuit de verwachting dat het anders wordt. De woorden van de profeet Zacharia lijken in eerste instantie ook angstaanjagend. Maar uiteindelijk is zijn visioen weldadig voor de hele wereld.

 

Zondag 9 december 2018 2e van Advent
Maleachi 3, 1-4
Lucas 3, 1-6
RK: Baruch 5, 1-9 en Lucas 3, 1-6

Op weg naar Kerst kun je niet om Johannes heen. Alle evangelisten staan stil bij zijn rol als wegbereider van de Messias. Bij Lucas doet zijn uiterlijk er niet toe. Bij hem krijgt Johannes vooral stem, hij verkondigt en spreekt woorden uit de profeten. De evangelist Lucas laat namen van de 'groten der aarde' klinken. Dat doet hij vaker. Hij vindt het belangrijk om gebeurtenissen in hun exacte context te plaatsen. Hij vertelt daarmee tegelijk dat wereldleiders uiteindelijk maar één functie hebben: ze vormen het decor van wat komen gaat in Gods ingrijpen in de wereld. Waar gaat het Johannes om? Het eind van het citaat uit de profeet Jesaja maakt het duidelijk: al wat leeft zal zien hoe God redding brengt. Hoe treffend is dat! De naam van het kind dat wordt verwacht, betekent 'God redt'. Johannes vraagt inkeer van zijn omstanders. Inkeer klinkt in onze tijd vooral als een vorm van bezinning. Dat doet tekort aan wat Johannes zegt. Hij vraagt een nieuwe focus, een omwenteling in denken, een hernieuwde mentaliteit. Om te kunnen begrijpen wat het verwachte kind komt doen, heb je een nieuwe mindset nodig. De woorden van de profeet Maleachi scherpen de gedachte van een wegbereider aan: hij komt om de weg te effenen.

 

Zondag 16 december 2018 3e van Advent
Sefanja 3, 14-20
Lucas 3, 7-18
RK: Sefanja 3, 14-18a en Lucas 3, 10-18

De oproep tot omkeer die vorige week klonk, wordt in dit gedeelte uit Lucas heel concreet gemaakt voor verschillende groepen mensen. Het is mooi dat mensen zich niet boos van Johannes afkeren of beledigd afdruipen bij zijn harde woorden. Tenslotte is 'Addergebroed' niet bedoeld als compliment, maar gewoon een scheldwoord. Blijkbaar verstaat Johannes de kunst toch mensen aan zich te verbinden. Hij laat zien dat het in de orde die verwacht wordt, niet gaat om afkomst, maar om heilzaam leven voor jezelf en voor anderen. Johannes maakt het heel concreet: mensen worden opgeroepen om kleding en voedsel te delen. Ook voor tollenaars en soldaten heeft hij uitvoerbare opdrachten. Omkeer heeft te maken met je levenswandel. Je laten dopen door Johannes in de Jordaan is een zichtbaar teken dat gevolg moet krijgen in je doen en laten. Het reinigingsritueel is daardoor niet alleen een 'geestelijke' schoonwassing, maar raakt tegelijk het dagelijks bestaan. Daar ben je uitgenodigd om die schoonwassing handen en voeten te geven. Advent als verwachting doet een beroep op je eigen inzet. Wie een nieuwe wereld verwacht, moet zo leven dat het klopt met die verwachting. Voor Johannes is er dus geen 'Stil maar, wacht maar'-verwachting. Zijn oproep is zodanig dat hij zelf de Messias lijkt. Dat schudt hij stevig van zich af: ik ben de voorbereider, dienstbaar aan wie komen gaat. Zijn doop zal meer zijn dan de mijne: Geest en vuur. In vers 17 worden daar beelden uit de agrarische wereld voor gebruikt: wan, dorsvloer, graan, kaf, schuur. De komst van de Messias gaat voor Johannes gepaard met vuur dat loutert. De profeet Sefanja lijkt al een stap verder te zijn dan Johannes. Hij schetst een wereld waarin God in het midden van zijn mensen zal wonen en vernedering en verdriet niet meer bestaan.

 

Zondag 23 december 2018 4e van Advent
Micha 5, 1-4a
Lucas 1, 39-45
RK: Micha 5, 1-4a en Lucas 1, 39-45

Waar op de eerste drie Adventszondagen verwachting vooral wordt gekleurd met woorden en daden, is er op deze zondag de concreetheid van twee zwangere vrouwen die elkaar ontmoeten. Het zijn vrouwen die een ongewone geschiedenis meedragen: ongewenste kinderloosheid en onverwachte zwangerschap. Dat verbindt hen met oervrouwen uit de geschiedenis van Israël en vertelt wat een rode draad door de bijbelverhalen s: kinderen van Israël danken hun leven niet aan vruchtbaarheid en potentie, maar aan de gratie van God. Ze zijn 'made in heaven'. Beide vrouwen delen maatschappelijk ongenoegen. Wie geen kinderen kreeg, telde in de ogen van de samenleving van toen niet mee. Wie buiten de veiligheid van een geaccepteerde relatie zwanger raakte, raakte tegelijk haar waardigheid kwijt. Samen kunnen ze onbevooroordeeld delen in diepe vreugde om de bijzondere kinderen in hun schoot. Door de Geest en door het opspringende kind in haar schoot begrijpt Elisabet wie op bezoek komt: de moeder van de Messias. Het is bijzonder dat al in de bijbel besef is van wat nu als gegeven geldt: ook ongeboren kinderen horen in de moederschoot een stem en kunnen daarop reageren. De zegenbede die Elisabet over Maria uitspreekt, is basis geworden van een dierbaar en veel gebruikt woord: 'Wees gegroet'. Elisabet verstaat dat het in het leven niet om haarzelf gaat, maar om de verbondenheid met de Eeuwige en het kind in Maria's schoot. Dat is een vorm van dienstbaarheid die ze doorgeeft aan haar kind, Johannes. In de lofzang van Maria is er allereerst lof voor God, omdat Hij naar haar heeft omgezien. Maria noemt daarin in eerste instantie niet het kind in haar schoot, maar de aandacht die er voor haar is. Tegelijk realiseert ze zich dat wat haar overkomt, uitwerking zal hebben voor velen. In het lied resoneren woorden die al eerder zijn gezongen, in de lofzang van Hanna en in psalmen. Zo krijgt oude verwachting nieuwe stem. De profeet Micha geeft stem aan die verwachting. Hij schetst de mens die komt als herder en vredevorst.

 

25 december 2018 kerstmorgen
Jesaja 52, 7-10
Lucas 2, 1-20
RK: Jesaja 52, 7-10 en Johannes 1, 1(-5.9-14)-18

Lucas vertelt het verhaal van de geboorte van Jezus in een drieluik. Dat is voor hem een beproefde manier, zo heeft hij ook het begin van zijn evangelie vorm. In dit drieluik (in de NBGvertaling onderscheiden door 'en het geschiedde') klinkt allereerst de inschrijving (vers 1-5). De context van de geschiedenis van de geboorte is er één van bezetting en overheersing. Met de exactheid waar Lucas om bekend staat, klinken namen en tijden van bewindvoerders. Zij hebben het heft in de wereld in handen, maar uiteindelijk blijken ze niet meer dan schaakstukken op het bord van de grote Schaker. In deel twee (vers 6-14) wordt het kind geboren, midden in de menselijke werkelijkheid van bezetting en onrecht. Dat brengt ons als vanzelf in de actualiteit, waarin nog altijd kinderen in erbarmelijke omstandigheden ter wereld komen. In 2017 kreeg de burgemeester van het Italiaanse plaatsje Castenaso ruzie met een deel van de plaatselijke bevolking, toen hij in de kerststal op het plein voor het gemeentehuis een grijze rubberboot als voerbak een plaats gaf. Hij bracht realiteit in het kerstverhaal. Het is wonderlijk dat de herders de boodschap van de engel begrijpen en het kind vinden. Want zo toegankelijk is zijn bericht niet: een kind in een voerbak, gewikkeld in een doek, in de stad van David. Blijkbaar hebben goede verstaanders aan een half woord genoeg. In het derde deel van het drieluik (vers 15-20) komen de herders in beweging. Het woord van de engel brengt in hen iets op gang. Deze verzen staan vol van spreken en horen: beweging tussen herders, Maria en Jozef. Er wordt intens gesproken en geluisterd. Wie goed luistert, raakt als vanzelf verbaasd en ontvangt een schat aan woorden om in hart en gedachten te bewaren. Dat kan nog steeds de kracht van deze boodschap zijn. Jesaja zingt een lied van blijdschap om wie komt; vrede, vreugde, redding en geluk worden zichtbaar!

 

Zondag 30 december 2018
Jesaja 61, 10 - 62, 3
Lucas 2, 33-40
RK: 1 Samuël 1, 20-22. 24-28 en Lucas 2, 41-52 (H. Familie)

Boven in de Heilig Grafkerk in Jeruzalem staat een gouden kast. Daarin een beeld van de moeder Gods met het zwaard door haar borst. Haar blik is intens verdrietig. Zoals een ouder zich voelt, wanneer haar of zijn kind het moeilijk heeft, of sterft. Of dit beeld in de gouden kast weergeeft wat Simeon bedoelde Maria te voorspellen in Lucas 2 weet ik niet. Het lijkt er meer op dat het 'zwaard' is bedoeld als beeld van tweedracht (zie ook Psalm 22, 21). Tweedracht hoeft niet tussen mensen te bestaan, het kan ook in mensen zelf bestaan. Je kunt als mens vallen, en opstaan. Of iets anders doen dan je hart je ingeeft. Simeon beschrijft scherp hoe Jezus' optreden dat teweeg zal brengen. Hanna bekijkt Jezus met een andere blik. Maar net als Simeon is ook haar blik profetisch, gericht op de toekomst, en vol verwachting. Hanna is oud, en de leeftijd van het lichamelijke verwachten ruimschoots ontstegen. Menselijkerwijs is er geen reden meer om te verwachten en te hopen, maar Hanna blijft toch verwachten. Het is belangrijk voor Lucas dat Simeon en Hanna Jezus samen ontmoeten. Lucas wil in zijn evangelie steeds weer laten blijken dat Jezus leeft volgens de Joodse traditie en wet. In die wet staat dat er twee getuigen van iets moeten zijn, wil het betrouwbaar zijn (Deut. 19: 15) Simeon en Hanna zien en vertellen dus samen wat het betekent dat Jezus is geboren. De plek waar zij dit doen, is niet toevallig. De Tempel in Jeruzalem is op het moment dat Lucas zijn evangelie schrijft, verwoest door de Romeinen. Door de ontmoeting juist hier te laten plaatsvinden, maakt Lucas de Tempel deel van de hoop en verwachting: daar waar Jezus is, krijgt de tempel weer vorm. Menselijkerwijs lijkt er geen reden meer om te hopen, maar Hanna vertolkt de wens van Lucas dat mensen juist wel blijven hopen. Hopen op een hernieuwd centrum voor hun geloof, ruimte voor hun godsdienst, en toekomst na het verwoestende ingrijpen van een bezettende macht.

 

Zondag 6 januari 2019
Jesaja 60,1-6,
Matteüs 2,1-12
RK: Jesaja 60. 1- 6 en Matteüs 2, 1 - 12 (Epifanie)

De wijzen, of magiërs, of koningen, spreken tot de verbeelding. Wie zijn ze, en waar komen ze vandaan? Je kunt verschillende bijbelse lijnen vinden die je met deze mensen in verband kunt brengen. We weten trouwens niet of het er drie waren: alleen Matteüs heeft het verhaal over deze mannen, en hij vermeldt het aantal niet. Hij zegt alleen dat ze drie geschenken meenamen. De wijzen komen uit het oosten. Dat wil zoveel zeggen als: niet uit het gebied of de volken van Israël. Het zijn dus heidenen. Of ze helemaal vreemd zijn aan het volk Israël, dat is te betwijfelen. Het zouden nakomelingen kunnen zijn van Abraham. Hij stuurde de kinderen van zijn vrouw Ketura net voor zijn dood, weg naar het oosten (Gen. 25,1-6). Misschien wil Matteus, bijbelgetrouw als hij is, duidelijk maken dat de geboorte van de Messias, de kinderen van Abraham weer samen brengt. Of kwamen de magiërs wellicht uit Saba, wat het huidige Ethiopië zou kunnen zijn? Dat was het land van de wijze koningin die bij Salomo op bezoek kwam. Jesaja 60:6 en Psalm 72:15 zouden daarop kunnenwijzen. Hoe dan ook: Matteus neemt met deze drie magiërs een heel bijzonder element op in zijn evangelie. Want deze mannen gaan op weg doordat ze een ster zien. Voor niet-Joden was dat een heel gewone manier om naar de toekomst te kijken: door naar de sterren te kijken. Er werd geloofd dat bij de geboorte van elk kind een ster verscheen, en bij de geboorte van een leider of koning een extra bijzondere ster te zien was. Dat Abraham de sterren moet tellen om zijn nageslacht te tellen, sluit helemaal hierbij aan. Maar naar de sterren kijken om de toekomst te voorspellen, dat was toch eigenlijk niet-Joods. De wijzen doen het, en zij worden door de ster aangespoord om te gaan zoeken naar wat de toekomst brengen mag: een koning? Ze komen in Jeruzalem terecht, waar ze kennis maken met een andere manier om naar de toekomst te kijken. De joodse manier: lezen in de profeten van Israël. Die schriften, gelezen door schriftgeleerden, wijzen de koningen de richting waar ze naar op weg moeten gaan. Doordat ze de woorden uit de Bijbel horen, weten ze wat ze moeten doen met dat wat ze zien. Ze gaan dus op weg naar Bethlehem, op weg naar de koning die in de Schriften is voorspeld.

 

Zondag 13 januari 2019
Jesaja 40,1-11
Lucas 3,15-16.21-22
RK: Jesaja 40,1- 5.9- 11 en Lucas 3,15-16.21-22 (Doop van de Heer)

Jezus gaat al voor hij gedoopt wordt volop aan de slag. De bruiloft in Kana, het gesprek met Nikodemus: ze gebeuren voor hij bij de doopplaats van Johannes in de Jordaan aankomt. Blijkbaar is de doop dus geen voorwaarde om in Godsnaam aan de slag te gaan. Het tijdspad van het evangelie naar Johannes is sowieso wat apart, want de gevangenneming van Johannes de Doper wordt vermeld tussen de doop scène aan de Jordaan door. Als Jezus aankomt bij de Jordaan, worden daar al mensen gedoopt. Jezus is daar een van, en dus geen uitzondering. Wel uitzonderlijk is, wat er gebeurt als hij bidt: 'de hemel gaat open'. En wanneer in de bijbel de hemel open gaat, is er even heel nauw contact tussen de hemel waar God woont, en de aarde waar de mensen wonen. Zo was het met Jakob die droomde bij Betel, en in het kerstverhaal, met de herders die het goede nieuws kregen. Zo is het hier. De Heilige Geest komt uit de hemel 'als een duif'. Het is dezelfde duif die rondvloog toen de ark van Noach vastgelopen was. Een duif die vaste grond zoekt. En als de duif bij Noach vaste grond gevonden heeft, kan het verhaal van de mensen en God weer verder. Zo is het ook hier bij de doop van Jezus. De duif vindt vaste grond in Jezus, en het verhaal van God en mensen kan weer verder. Woorden klinken uit de hemel, geciteerd uit Psalm 2:7 en Jesaja 42:1. Oude woorden die vertellen dat Jezus vanaf het begin geliefd is. De bekende Nederlands-Amerikaanse theoloog Henri Nouwen vertelt in een van zijn boeken hoe hij dit leest. 'Jezus is gekomen' zo zegt hij, om de zegen te delen en de stem van God te laten horen, die zegt 'Jij bent mijn geliefde zoon/ dochter/vriend'. De liefde van God wordt getoond in Jezus, aan de mensen, daar aan de oever van de Jordaan. Jezus is een drenkeling die weet van het leven, van de golven van vreugde en de vloed van tranen. Te midden van al dat water, en te midden van al die mensen die ook door precies datzelfde water van leven en dood gaan, klinken die woorden 'Jij bent mijn Zoon'. Ze klinken midden tussen die mensen, omdat ze gelden voor Jezus, en voor al die mensen om hem heen.

 

Zondag 20 januari 2019
Ester 2, 1-17 (alternatief}
Jesaja 62, 1 - 5
Johannes 2,(1, 29-) 1 - 11
RK Jesaja 62, 1- 5 en en Johannes 2, 1 - 11
Aan het hof van koning Ahasveros is een vacature ontstaan. De koning is een gevangene geworden van zijn eigen besluit om koningin Wasti weg te sturen naar weigering haar schoonheid te tonen aan de gasten op het feest van de koning. (lees Ester 1) Een wet van Meden en Perzen is niet terug te draaien maar hij blijft maar aan haar denken. Er moet dus een nieuwe koningin komen. Zo begint het verhaal. Verhaal, want geschiedenis is het niet. Het verhaalt hoe makkelijk een mens, een bevolkingsgroep prooi wordt voor uitsluiting, onderdrukking en zelfs uitroeiing. En dat, zo leert de geschiedenis, gebeurt tot op vandaag. Het is dus niet zomaar een verhaaltje maar een boek met een boodschap. We leren eerst Mordechai kennen, een jood. Zijn afkomst herinnert ons aan koning Saul, zoon van Kis. En niet alleen dat. Als Wasti wordt weggestuurd, zegt een van de raadsheren dat haar koninklijke waardigheid gegeven moet worden aan iemand die beter is dan zij. Precies die woorden klinken ook over Saul. Het koningschap zal aan iemand anders gegeven worden die waardiger is dan hij. Waarom? Omdat Saul Agag, koning van Amalekieten, in leven liet en daarmee verzuimde het kwaad met wortel en tak uit te roeien. Onthoud dit maar. Agag komt terug als Haman ten tonele komt. Waar het om gaat: er moet een andere koning(in) komen die wél de strijd met het kwade zal aangaan. We lopen nu al vooruit op het verhaal maar zover is het nog niet. De toekomstige heldin is nu alleen nog maar een mooi poppetje dat zich laat adviseren door mannen, door Mordechai en Hegai, en bij de koning haar mond niet open doet. Je zou haar naam, Ester, kunnen vertalen met 'ster' maar schitteren doet ze niet echt en ze moet verborgen houden uit welk volk en welke familie ze is. En dat is een andere betekenis van haar naam: 'ik ben verborgen'. Dat Hebreeuwse 'satar' (verbergen), waarvan Ester is afgeleid, brengt ons bij bijbelteksten over Góds verborgenheid. Bijvoorbeeld bij de woorden van de Eeuwige tot Mozes dat zijn volk hem ontrouw zal worden en dat hij zich voor hen zal verbergen (Deuteronomium 31,16-18) maar ook bij de ervaring van de mens dat God zich voor hem verbergt. (bijvoorbeeld Psalm 13,1) God ís ook de grote afwezige in Ester. Zijn naam wordt niet genoemd; zijn rol in het geheel mag geen naam hebben. Waarom dat zo is? Er zijn verschillende antwoorden te bedenken: omdat mensen elkaar soms zulke verschrikkelijke dingen aandoen dat Gods Naam op je lippen sterft; omdat niet God maar het toeval de loop van de geschiedenis bepaalt; omdat God afwezig lijkt maar aanwezig is in mensen.

 

Zondag 27 januari 2019
Ester 3 (alternatief)
Jesaja 61, 1- 9
Lucas 4, 13 - 21
RK: Jesaja 51, 1- 9 en Lucas 4, 14 - 21
Na het einde van hoofdstuk 2 zou je nu toch verwachten dat Mordechai op de een of andere manier beloond zou worden, maar zijn heldendaad verdwijnt naar de achtergrond. In plaats daarvan wordt een nieuwe hoofdrolspeler geïntroduceerd: Haman, nakomeling van Agag. Agag was koning van de Amalekieten en aartsvijand van Israël. Hij viel het volk van achteren aan toen het uitgeput en hongerig was. (Deuteronomium 25, 18) Omdat Saul de koning van het kwaad in leven liet, kon het kwaad zich voortplanten. (1 Samuël 15) En nu is daar Haman. Waar mensen ongehoorzaam zijn aan God, kan het kwade gewoon verder groeien. De schrijver van het boekje Ester laat het over doen. Hij vertelt hoe het had gemoeten. Altijd zullen goede mensen de strijd moeten aanbinden met het kwaad. Kwaad dat zich lang niet altijd gemakkelijk laat herkennen omdat het er niet uitziet als een monster maar zich vermomd als een mijnheer, als een adviseur. En zolang niemand daartegen in het verweer komt, zolang mensen blijven buigen (uit angst, uit onverschilligheid, of met de gedachte 'dat het zo erg niet is') zolang ettert het kwaad door. Gelukkig durft er iemand openlijk verzet te plegen en te doen wat iedereen zou moeten doen, Mordechai. Hij blijft trouw aan de Tora en buigt voor niemand anders dan voor de Heer. Hij had namelijk verteld aan de functionarissen van de koning in de poort dat hij een Jood was en dat heeft consequenties. Geloof blijkt niet uit wat je zegt maar uit wat je doet. Meeloper zijn, omdat dat makkelijker is, of veiliger, dat doe je niet. Zo komen ook in ons dagelijks leven keuzes op ons af: op ons werk, in het opvoeden van de kinderen. En soms schuren die. Haman is woedend en zint op een manier om niet alleen die ene Jood maar alle Joden op te ruimen. Het lot wordt geworpen. Haman verzoekt de goden hem een goed tijdstip door te geven. Daar tegenover staat de God die geëerd wordt door zijn volk, een volk dat 'te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de koning houden ze zich niet.' Het is echter geen lofzang maar een verdachtmaking. Hij speelt in op de angst van de koning, op de angst van de vevolking. Dan komt de organisatie van het kwaad op gang: elke provincie krijgt een brief, als het moet in zijn eigen taal. Niemand kan straks zeggen dat hij het niet geweten heeft. Zo besmettelijk is het kwade dus. Wie zwijgt stemt toe. Dit alles gebeurt op de dertiende dag van de eerste maand. Op die dag wordt het donker en angstig. Tegelijkertijd gaat er een ander verhaal meezingen, want morgen, op de veertiende dag van de eerste maand, wordt Pasen gevierd, feest van bevrijding uit ellende, feest van leven door de dood heen. (lees Leviticus 23,5)

 

Zondag 3 februari 2019
Ester 4 (alternatief)
Jeremia 1, 4 - 10
Lucas 4, 21 - 30
RK: Jeremia 1, 4 - 5. 17=19 en Lucas 4, 21 - 30
Mordechai pleegt verzet door zich in rouwkleding te steken. En heel het volk zit met hem in zak en as. Groot is de afstand tussen Ester en Mordechai als zij hem kleding laat brengen waardoor hij weer toonbaar is en niet meer ppvalt. Een afstand die steeds door een ander (de dienaressen, de Hatach) moet worden overbrugd. Ester vertoont een heel menselijke reactie: als ik nu maar gewoon blijf doen, komt alles weer goed. Dan loop ik ook geen risico. Maar Ester zal uit de kast moeten komen, kleur bekennen. Zij mag zich veilig wanen, omdat zij in het koninklijk paleis woont, maar ze is het niet. Mordechai verwoordt het zo: 'Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze.' Het is misschien geen toeval. Misschien is Ester wel koningin geworden om haar volk te redden. Mordechai zwijgt erover of hij gelooft dat God, die in dit verhaal verborgen blijft, alles bestiert en regelt. Hij zwijgt er ook over of alles toeval is of dat we aan de goden zijn overgeleverd. Hij laat het zo'n beetje in het midden maar stelt wel vast dat er voor Ester een kans in zit…Laten we ervan uitgaan dat ongelukken gebeuren, dat het noodlot ons allemaal een keer treft. Misschien heeft het dan zo moeten zijn dat jij er net bij was. Misschien dringt zich de taak aan jou op die jij moet vervullen. Niemand wordt als heldin geboren. Maar je kunt het worden. Als Ester haar mond niet opendoet, zal vast van een andere kant uitkomst en redding komen. Dat is toch ook het hart van het geloof van Israël: hoe doodgelopen een situatie ook lijkt, met de God van Israël wil het maar niet hopeloos worden. Maar voor Ester en haar familie zal het dan te laat zijn. Mordechai heeft steeds gezegd dat Ester moest zwijgen. Nu moet ze spreken. Waar eerst alle initiatief bij Mordechai lag, neemt nu Ester de touwtjes in handen. Vastbesloten gaat ze over tot actie en ze geeft Mordechai de opdracht om alle Joden bij elkaar te roepen en met haar te vasten. Zo zal ze zich voorbereiden op een riskant bezoek aan de koning. Bij haar woorden: 'Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen.' kunnen we aan mannen en vrouwen denken die inderdaad trouw bleven aan hun geloof of roeping en daardoor risico liepen of zelfs omkwamen. Hun daden aren ook geen egotripperij. Zij zochten en vonden, net als Ester, de solidariteit van de mensen voor wie ze opkwamen.

 

Zondag 10 februari 2019
Ester 5, 1- 6.11 (alternatief)
Jesaja 6, 1- 8
Lucas 5, 1 - 11
RK: Jesaja 6, 1-2a.3-8 en Lucas 5, 1- 11
'Toen de derde dag was aangebroken' kunnen we niet lezen zonder al die andere derde dagen in herinnering te roepen. De dag dat Abraham zijn zoon Izaäk níet hoefde offeren; de dag dat het verbond tussen God en zijn volk werd gesloten; de dag dat Jona door de grote vis werd uitgespuugd. De derde dag is de ongedachte dag: wat onmogelijk leek, wordt mogelijk. De derde dag gaat altijd over mogelijkheden, over leven, en ja: over God. Als Ester verschijnt voor de koning kan het vreselijk mis gaan, maar dat gaat het niet. Hij ziet haar nog zoals hij haar die eerste keer zag en hij wil haar alles geven. Er komt nu een soort traagheid in het verhaal. Zorgvuldig wordt opgebouwd dat wie een kuil graaft voor een ander, er zelf in zal vallen. Lees het gedeelte 5, 9-14 ook eens in de vertaling NBG '51 of Statenvertaling. Je zult ontdekken dat je, net als in de Hebreeuwse tekst, struikelt over de naam van Haman. Tot zeven keer toe. Hij vergewist zich ervan dat hij enorm belangrijk is. Daarom ergert het hem des te meer dat Mordechai weer niet voor hem wilde buigen. Alles draait om hem, met zijn vrouw en vrienden als dankbaar en kritiekloos publiek. De verteller zet het lekker vet aan. Dan wordt het nacht. Ahasveros kan niet slapen en ontdekt dat Mordechai nooit beloond is voor het verijdelen van de moordaanslag. De koning werkt aan een plan om Mordechai om de hoogste eer te geven, terwijl Haman 's nachts door het paleis sluipt om hem aan de hoogste paal te hangen. Uiteindelijk zijn de rollen volledig omgekeerd. Mordechai wordt geëerd en Haman voelt zich vernederd. Wie zegt er nu dat de Bijbel geen humor kent!? Dit gedeelte vertelt ons heel beeldend dat God deze wereld omgekeerd voor zich ziet. Zoals in het lied: 'De wijze woorden en het groot vertoon': ijdeltuiterij, luchtkastelen, het blijft niet overeind. Wie huilt, zal lachen.

 

Zondag 17 februari 2019
Ester 7,1 - 8,2(alternatief)
Jeremia 17, 5 - 10
Lucas 6, 17 - 26
RK: Jeremia 17, 5 - 8 en Lucas 6,17.20 - 26
De val van Haman is ingezet. Hij zal, na de woorden van zijn vrouw en vrienden, al minder trek gehad hebben in de tweede maaltijd bij Ester. (6,13) Als lezers weten we nu meer dan de spelers in het spel. Ahasveros weet niet dat hij Haman voor schut heeft gezet en Ester weet niets van de zegetocht van Mordechai. Als ze het wel had geweten, had haar dat misschien moed gegeven. Niemand weet dat Ester en Mordechai familie zijn. Zowel de koning als Haman weten niet dat Ester een jodin is en Ahasveros weet niet dat het volk dat Haman wil uitroeien het Joodse volk is want bij de ondertekening van de wet had Haman dat achterwege gelaten. Veel onwetendheid dus en dat wekt de verwachting van een grootse ontknoping. Want iedereen zal uit de droom geholpen worden. Bij die tweede maaltijd krijgt Ester een tweede kans om een wens uit te spreken. Zij wenst 'schenk mij en ook mijn volk dan het leven.' Zichzelf zet zij voorop. Haar zal de koning zeker willen sparen en daarna haar volk. Daarna benoemt zij het kwaad en ontmaskert zij Haman. Het gezicht van het kwaad wordt bedekt met een doek en Haman wordt weggevoerd. Het kwaad moet worden benoemd en tegelijkertijd mag het geen naam hebben. Als in de synagoge wordt voorgelezen uit Ester, tijdens het Poerimfeest, mogen de kinderen kabaal maken met instrumentjes, telkens als de naam Haman valt. Omdat wij geroepen zijn het kwaad te overstemmen. Ester krijgt de bezittingen van Haman, die had geaasd op de bezittingen van de Joden. (3,13) Er zijn geen geheimen meer want Ester vertelt over de relatie met Mordechai. Die krijgt vervolgens met de koninklijke zegelring dezelfde macht als eerder Haman had. Het is nog geen 'eind goed al goed'. Want de wet die Haman had uitgeschreven tegen de Joden is een Wet van Meden en Perzen. Wordt vervolgd.

 

Zondag 24 februari 2018
Ester 8, 3-8.9.1-10 (11-22)
20-23(Alternatief)
Genesis 45, 3-11.15, Lucas 6,27 - 38
RK: 1 Samuël 26, 2. 7-9. 12-13. 22 -23 en Lucas 6. 27 - 38
Ester moet nog een keer het risico nemen om ongevraagd naar de koning te gaan. Uitvoerig doet zij een beroep op het hart van de koning. Omdat een wet van Meden en Perzen niet kan worden ingetrokken, krijgt Mordechai de vrije hand om een andere verordening rond te sturen. Er komt een nieuwe wet: de Joden mogen zich verdedigen en doden wie hun naar het leven staan. Daarmee is de wet van Haman niet herroepen maar wel krachteloos gemaakt. Wie nu opstaat om de eerste wet uit te voeren, wordt door de tweede wet vijand van de Joden en onherroepelijk slachtoffer. Op dertiende dag van de twaalfde maand worden de rollen omgekeerd en er ontstaat een bloedige slachtpartij. Wat een vreselijk verhaal wordt het daarmee. Laten we twee dingen niet vergeten: wie opstond tegen de Joden, wie zichzelf tot vijand heeft gemaakt, wordt gedood. Het kwaad begint niet bij de verdediging van de Joden maar bij de aanval van de vijanden. Het is het verhaal van een volk dat zo vaak met de rug tegen de muur heeft gestaan. En: verhalenderwijs wordt duidelijk dat dát altijd de opdracht is geweest van Israël; het kwaad (Amalek) uitroeien en niets daarvan overlaten, zoals koning Saul dat wel had gedaan. (zie bij 27 januari) Daarom wordt ook nadrukkelijk verteld dat de zonen van Haman worden gedood en dat ze de bezittingen van hun vijanden met geen vinger aanraken. Het is hen niet om de buit te doen. Dit gruwelijke slot vertelt in slechts twee kleuren, zwart en wit, dat het goede overwint en het kwade wordt bestraft. Het vertelt ook iets over de toekomstdroom, dat er een tijd zal komen waarin mensen niet worden buitengesloten en onderdrukt. De tijd dat mensen in gerechtigheid en vrede zullen samenwonen. Ester is een van de vijf feestrollen. Het wordt voorgelezen op het Poerimfeest. 'Poer' van het lot dat Haman wierp om de dag voor zijn kwade plan vast te stellen. Op het Poerimfeest gaat het over Mordechai die niet boog voor het kwaad, over Ester die de moed vond om achter haar masker vandaan te komen. En misschien ook wel over de Eeuwige die zichtbaar wordt waar mensen opstaan. Ubi caritas et amor, Deus ibi est. Nadrukkelijk wordt gesteld (9,28) dat het feest nooit in onbruik mag raken en dat niet in vergetelheid mag raken waarom het gevierd wordt. Wie onthoudt dat hij zelf is gered, zal zich ook inzetten voor de redding van anderen. Het Poerimfeest bewaart dus niet alleen de herinnering aan het verleden maar is van betekenis voor vandaag en morgen. koekjes, met een vulling van bijvoorbeeld dadelpasta. Ze krullen bij het bakken een beetje om, waardoor het net oren lijken. En natuurlijk is het een lekkere manier om Haman te bespotten. Verder lijkt het wel een beetje op carnaval omdat iedereen zich verkleedt, bijvoorbeeld als de koning of als koningin Ester, en zo zijn echte identiteit verbergt. Het is gebruikelijk om op het Poerimfeest lekkere hapjes en drankjes bij vrienden te brengen en aan minimaal twee goede doelen iets te geven.

 

Zondag 3 maart 2019
Jeremia 7,1-15
Lucas 6,39-49
RK: Sirach 27, 5 - 8 en Lucas 6, 39 - 45
Als wij als kinderen thuis vervelend waren, wilde mijn moeder nog wel eens roepen 'Daar alleen is 't leven goed, waar men vrij en ongedwongen alles voor elkander doet'. Meestal had dit alleen tot uitwerking dat we als kinderen nog baldadiger werden. Nu besef ik dat er in die woorden inderdaad veel wijsheid school, ook bijbelse wijsheid. Ze vatten namelijk samen wat Jezus wil zeggen in zijn veldrede hier in Lucas (Matteus heeft echt een berg-rede). Jezus legt zijn hoorders uit wat het voor je leven betekent, als je hem navolgt. Armen worden rijk, en bekende patronen worden omgekeerd. Dat gaat zover dat ook bekende patronen in je eigen hart moeten worden omgekeerd. Het is namelijk veel makkelijker om de fouten bij een ander aan te wijzen, dan bij je zelf. Zo wisten wij als kinderen ook altijd haarfijn te vertellen wat de ander had fout gedaan, of waarom de ander aan de beurt was om nu eens dat vervelende klusje te doen. Waarop mijn moeder dan zei 'Daar alleen is 't leven goed…' Ze trad daarmee in Jezus voetsporen. Want hij legt in Lucas uit dat het nodig is om eerst in je eigen hart te kijken, in plaats van je een oordeel te vormen over het hart van een ander. De balk in je eigen oog eerst onderzoeken, voor je wijst op de splinter bij de ander. Het gaat erom dat je ware intenties aan het licht komen. Het gaat niet om datgene waar je mooi over praat, maar om dat wat je daadwerkelijk doet, en wat je diepste gevoelens zijn. Met heel verschillende beelden probeert Jezus de mensen te laten zien wat belangrijk is: om te kijken op welk fundament je gedachten en je leven is gebouwd. Als dat goed en stevig verankerd is, als God daar een plaats in heeft, dan zal het de stormen van het leven kunnen weerstaan. Maar als je bouwt op wat mooi lijkt, of gaat voor het snelle resultaat, de moeite niet wilt nemen om diepgaand onderzoek te doen naar wat jouw drijfveren zijn: dan val je bij het eerste zuchtje wind door de mand, en waai je om.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar start